Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
06-6733 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering aanvullende (lening in de vorm van een aanvullende) beurs toe te kennen zonder rekening te houden met het inkomen van de ouder. Niet voldaan aan conflict-eis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6733 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 oktober 2006, 06/720 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 21 maart 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2007. Appellante was in persoon aanwezig en werd bijgestaan door mr. P.A. van Enckevort, advocaat te Venlo.

De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 9 maart 2006 heeft de IB-Groep ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen haar besluit van

13 januari 2006 tot weigering om aan appellante een aanvullende (lening in de vorm van een aanvullende) beurs toe te kennen zonder rekening te houden met het inkomen van haar vader.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 9 maart 2006 ongegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de door en voor appellante afgelegde verklaringen niet toereikend zijn voor de conclusie dat appellante met haar vader een zodanig ernstig en structureel conflict heeft dat diens inkomen buiten beschouwing dient te worden gelaten.

In hoger beroep heeft appellante uitgebreid betoogd dat in de gegeven omstandigheden wèl aan de zogenoemde conflict-eis als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) is voldaan.

De IB-Groep is blijven staan op het standpunt dat niet is voldaan aan de zogenoemde conflict-eis.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de (op 1 september 2000 in werking getreden) WSF 2000 is de hoogte van de aanvullende beurs afhankelijk van het ouderlijk inkomen.

In artikel 3.14, eerste lid, van de WSF 2000 is bepaald dat op aanvraag van een studerende de aan hem toegekende aanvullende lening kan worden verstrekt in de vorm van een aanvullende beurs, indien er sprake is van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en studerende (of van onvindbaarheid van de ouder). Daarbij is vermeld dat onder een langdurig ernstig verstoorde verhouding in ieder geval niet wordt begrepen een conflict van financiële aard dat verband houdt met de studie.

Ingevolge artikel 6 van het eveneens per 1 september 2000 in werking getreden Besluit studiefinanciering 2000 (BSF 2000, een algemene maatregel van bestuur waarbij criteria zijn gegeven ter beantwoording van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.14 van de WSF 2000) bestaat in ieder geval aanspraak op een aanvullende beurs, indien (a) sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en studerende.

Ingevolge artikel 7 van het BSF 2000 is van zo’n conflict sprake, indien de ouder om ernstige redenen structureel weigert de veronderstelde ouderlijke bijdrage te verstrekken en dient de ernst van een conflict te worden aangetoond aan de hand van een door een ter zake deskundige afgegeven verklaring.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de WSF 2000 doet het probleem van de weigerachtige ouders zich voor sinds het bestaan van de in 1986 ingevoerde Wet op de studiefinanciering, de voorloper van de WSF 2000, en heeft de IB-Groep destijds op basis van de hardheidsclausule in beleidsregels neergelegd beleid ontwikkeld waaraan de aanvragen om loskoppeling worden getoetst. Vanwege het structurele karakter van het probleem en de omvang ervan is toen een wettelijke basis wenselijk geacht waarbij het bestaande, onder invloed van de uitspraken van het College van beroep studiefinanciering uitgekristalliseerde beleid in een algemene maatregel van bestuur werd vastgelegd. Daarbij is het (op de website van de IB-Groep nu nog voorkomende woord) “onverzoenlijk” bij conflict vervangen door “structureel”; daarmee is niet beoogd een inhoudelijke wijziging aan te brengen, maar geprobeerd tot uitdrukking te brengen dat onverzoenlijkheid te veel weg heeft van onverbiddelijkheid, welke immers eerst kan worden vastgesteld nadat de betrokken studerende of de weigerachtige ouder zal zijn weggevallen.

Blijkens de Nota van Toelichting bij het BSF 2000 valt wat de aan de hand van een door een ter zake deskundige afgegeven verklaring aan te tonen ernst van het conflict betreft te denken aan een zodanig fundamentele en structurele verstoring van de relatie tussen ouder en kind dat ontkoppeling de enige weg is, zoals in gevallen waarbij ernstig lichamelijk of ernstig geestelijk geweld een rol heeft gespeeld. Ook kan het - zo is daarin vermeld - gaan om structurele conflicten rond levensovertuiging, geloof en cultuur, waarbij zich niet met elkaar verdragende levensstijlen in het geding zijn.

Gesteld noch gebleken is dat door de IB-Groep bij de beoordeling van aanvragen om los- of ontkoppeling criteria worden gehanteerd ter uitleg van of in aanvulling op de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen met de toelichting daarop. Op zodanige aanvragen zal dan ook van geval tot geval en op basis van de in het desbetreffende geval voorliggende concrete feiten en omstandigheden (moeten) worden beslist.

Omstreeks 20 december 2005 heeft appellante een verzoek om loskoppeling ingediend met gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier onder bijvoeging van een toelichting van haarzelf, een toelichting van haar moeder en een op 15 december 2005 gedateerde verklaring van een agogisch medewerker van de stichting wel.kom als ter zake deskundige als bedoeld in artikel 7 van het BSF 2000, vergezeld van een door die agogisch medewerker in de hiervoor vermelde eerdere procedure op 3 september 2001 afgegeven verklaring. De verklaring van 15 december 2005 houdt in dat hij als maatschappelijk werker het desbetreffende gezin kent sinds 1990, dat hij daarmee nog steeds bemoeienis heeft en dat hij volledig staat achter de door appellante gegeven toelichting.

Rijst allereerst de vraag of in het thans aanhangige geval is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.14, eerste lid, van de WSF 2000, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 7 van het BSF 2000.

Afgaande op hetgeen door en voor appellante is aangevoerd en door de IB-Groep niet is betwist, is er ontegenzeglijk sprake van een conflict tussen appellante en haar vader, wiens levenswijze haar een doorn in het oog is en met wie zij niets meer van doen wil hebben. Dàt is ook niet zozeer in geschil. In het besluit op bezwaar heeft de IB-Groep overwogen niet uit te sluiten dat er in de beleving van appellante sprake is van een ernstig conflict.

De dit geschil beheersende vraag is evenwel of dat conflict ernstig en structureel is en wel in dusdanige mate dat aan de zogenoemde conflict-eis is voldaan.

De ter toets voorliggende situatie laat zich op grond van de gedingstukken verder als volgt beschrijven.

Appellante (geboren [in] 1981) heeft vanaf het moment waarop haar ouders van echt (van elkaar) zijn gescheiden ([in] 1991, welk vonnis op 1 maart 1991 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand; zij was toen negen jaar oud) tot in 2001 geen contact met haar vader gehad. In 2001 heeft haar vader op aandringen van diens toenmalige partner contact met haar gezocht en aangeboden zijn ouderlijke bijdrage aan de kosten van haar studie te betalen. Die bijdrage is betaald, maar, naar appellante nadien is gebleken, door toedoen van de bewindvoerder van haar vader. Vanaf het moment waarop aan de bewindvoering een einde is gekomen, ongeveer augustus 2004, heeft haar vader die bijdrage niet meer betaald.

Op enig moment, toen haar moeder van [woonplaats] naar Rotterdam moest verhuizen, is appellante (omdat zij haar studie vanuit [woonplaats] wilde voortzetten) enige tijd bij haar vader en diens toenmalige partner gaan inwonen. Uit de gedingstukken is af te leiden dat appellante op 30 mei 2003 als woonadres het adres van haar vader had en dat woonadres heeft gehanteerd tot 1 mei 2004, de datum per welke zij op aan de IB-Groep heeft opgegeven te zullen verhuizen van dat adres naar het adres [adres] te [woonplaats]. Appellante was toen ruim 22 jaar oud. Uit de gedingstukken valt niet af te leiden per welke datum zij haar intrek bij haar vader heeft genomen, maar de conclusie kan hoe dan ook geen andere zijn dan dat zij geruime tijd bij haar vader heeft ingewoond.

Vanaf het moment van inwoning is haar contact met haar vader slecht(er) geworden. Op een gegeven moment is zij bij haar vader weggegaan en heeft zij her en der bij vrienden onderdak gevonden; vanaf juli 2004 heeft zij eigen woonruimte in [woonplaats] betrokken. Met haar vader heeft zij - zo heeft zij nader desgevraagd ter zitting van de rechtbank verklaard - sedertdien nog slechts sporadisch contact, dat dan steeds ontaardt in ruzie, ook over haar studie en het door hem sedert augustus 2004 niet meer betalen van de ouderlijke bijdrage.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de Raad niet staande te houden dat de IB-Groep bij het in acht nemen van alle te dezen relevante factoren niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de conclusie dat het hier niet gaat om een ernstig en structureel conflict als in artikel 3.14 van de WSF 2000 bedoeld en in de artikelen 6 en 7 van het BSF 2000 uitgewerkt.

De Raad heeft bij zijn oordeelsvorming met name in aanmerking genomen dat uit het geheel van de door appellante aangevoerde omstandigheden is af te leiden dat appellante sinds enig moment in 2001, zij het incidenteel, contact met haar vader heeft gehad, dat moet worden aangenomen dat dat contact in de periode gedurende welke appellante bij haar vader heeft ingewoond is geïntensiveerd, dat appellante geruime tijd bij haar vader heeft ingewoond, dat appellante nadat zij elders onderdak heeft gevonden het contact met haar vader niet uit de weg is gegaan, indien zij elkaar ontmoetten, en dat het financiële aspect niet slechts een verwaarloosbaar kleine rol in het ontstaan, voortbestaan en/of oplaaien van het conflict heeft gespeeld. Van ernstig fysiek en/of psychisch geweld door de vader jegens appellante is niet kunnen blijken, terwijl van diepgaande, met ernstige conflicten gepaard gaande verschillen van inzicht over met name levensovertuiging, geloof of cultuur tussen appellante en haar vader evenmin is gebleken.

Niet ten onrechte heeft de IB-Groep onder de hiervoor gegeven feiten en omstandigheden onvoldoende aanleiding gezien een externe gedrags- of andere deskundige in te schakelen.

Van een zeer uitzonderlijk geval als in artikel 11.5 van de WSF 2000 bedoeld, is naar het oordeel van de Raad hier geen sprake.

Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep van appellante.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M. Lochs.

JL