Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
06-1810 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Medische en arbeidskundige grondslag voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1810 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]t),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 februari 2006, 05/1752

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 14 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een aantal nadere rapporten ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door C. Schravesande.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als filiaalmanager. Hij is op 28 april 2003 uitgevallen met psychische klachten. Appellant is op 7 april 2004 onderzocht door verzekeringsarts

P.M. Dekkers. In haar rapport van 8 april 2004 heeft zij geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een depressieve stoornis, die is ontstaan na een langdurige overbelasting. Appellant wordt beperkt belastbaar geacht ten aanzien van psychisch belastende factoren. Tevens dienen veelvuldige deadlines en productiepieken te worden vermeden. Verder zijn er beperkingen ten aanzien van conflicthantering in verband met toegenomen prikkelbaarheid. Aan de hand van de door haar opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft de arbeidsdeskundige B.N. van Vuuren een aantal functies geselecteerd waarmee een zodanig inkomen kan worden verdiend dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 20,1%.

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het Uwv met ingang van 26 april 2004 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

In bezwaar is - onder overlegging van een aantal verklaringen van zijn behandelaars - door appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts zijn medische beperkingen niet juist heeft gewaardeerd. Vanwege psychische klachten acht appellant zich niet in staat de geduide functies te verrichten. Voorts heeft appellant bezwaren tegen de arbeidskundige grondslag van het besluit van 6 juli 2004 naar voren gebracht.

Op 21 april 2005 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Bij wijze van verweer heeft het Uwv gesteld dat het dossier enige tijd zoek is geweest, maar dat naar verwachting in augustus 2005 de beslissing op bezwaar zal worden genomen.

In haar rapport van 30 juni 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer geconcludeerd dat de door de verzekeringsarts opgestelde FML op een aantal punten moet worden aangepast. Zij acht met name meer beperkingen aan de orde ten aanzien van het sociaal functioneren, gezien zowel de depressieve klachten als de a

borderline-problematiek. Volgens haar is de gezondheidstoestand van appellant vanaf april 2004 langzaam achteruitgegaan, in december 2004 uitmondend in een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid en een ziekenhuisopname. Tevens stelt zij beperkingen vast in verband met de astma- en eczeemklachten van appellant. Een en ander is neergelegd in een nieuwe FML van 18 juli 2005.

Op basis van deze FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige F. van Kempen in zijn rapport van 11 augustus 2005 geconcludeerd dat een drietal functies voor appellant passend zijn te achten, te weten de functie samensteller hydraulische componenten

(Sbc-code 265110), samensteller (Sbc-code 267010) en inpakker (Sbc-code 111175). Het verlies aan verdiencapaciteit bedraagt dan 43,93%.

In overeenstemming hiermee is bij besluit van 17 augustus 2005 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 juli 2004 gegrond verklaard en is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 26 april 2004 vastgesteld op

35-45%.

In beroep heeft appellant grieven met betrekking tot de juistheid van de medische en de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit aangevoerd. Hij meldt ook dat hij zich op 7 december 2004 toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld wegens een opname in het Delta Bouman Psychiatrisch Ziekenhuis in verband waarmee het Uwv zijn WAO-uitkering per 3 januari 2005 heeft herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Bij wijze van verweer heeft het Uwv, in overeenstemming met de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer van 10 november 2005 en de bezwaararbeidsdeskundige Van Kempen van 15 november 2005 en 23 januari 2006, geconcludeerd dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen.

De rechtbank heeft het beroep van appellant voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling zag zij geen aanleiding.

Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat zij in hetgeen door appellant is aangevoerd onvoldoende reden ziet om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Deze conclusie is gebaseerd op dossierkennis, anamnese en de tot dan toe bekend zijnde medische gegevens over appellant waaronder de informatie afkomstig van de behandelende psychologen en van appellants behandelend huisarts. Over de informatie van de huisarts en de psychologen merkt de rechtbank op dat deze dateert van een datum nà de datum in geding. Nu daaruit niet blijkt dat deze informatie ziet op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding ziet de rechtbank geen aanleiding tot het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts de medische beperkingen van appellant onjuist heeft vastgesteld. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank toereikend geacht.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken ter zake van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat uit de in de loop van de procedure overgelegde informatie van de behandelaars van appellant genoegzaam blijkt dat hij per 26 april 2004 en daarna niet over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikt dan wel dat hij meer medische beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de zaak is appellant, onder verwijzing naar een aantal uitspraken van de rechtbank Almelo (LJN: AU9709 en 9706), van mening dat het naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 aangepaste Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) nog altijd onvoldoende inzichtelijk, verifieerbaar en toetsbaar is. Ook had de functie samensteller van hydraulische componenten (Sbc-code 265110) niet aan de schatting ten grondslag mogen worden gelegd, nu in deze functie wordt gewerkt in een afwijkend arbeidspatroon (ploegendienst), waarvoor een ploegentoeslag wordt betaald, en appellant in zijn maatmanfunctie een dergelijke toeslag niet heeft genoten. Ten slotte meent appellant dat de geduide functies, gezien de totaalbelasting en afzonderlijke overschrijdingen, niet geschikt voor hem zijn.

Het Uwv heeft te kennen gegeven zich niet te verzetten tegen de door appellant gevraagde proceskostenveroordeling in beroep. Onder verwijzing naar een tweetal nadere rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde, respectievelijk gedateerd 15 januari 2008 en 25 januari 2008, alsmede een rapport van de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer van 22 januari 2008, is door het Uwv voor het overige verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad zal allereerst de medische grondslag van het bestreden besluit beoordelen.

In haar rapporten van 30 juni 2005 en 22 januari 2008 is de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer tot de conclusie gekomen dat sprake is van een geleidelijke verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant tussen de eerste verzekeringsgeneeskundige beoordeling op 7 april 2004 en de melding van de toegenomen arbeidsongeschiktheid op 7 december 2004, die is gevolgd door een herziening van de WAO-uitkering van appellant per 3 januari 2005 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Uit de beschikbare informatie komt echter naar voren dat appellant sinds het voorjaar van 2003 met ernstige psychische problemen kampt, in verband waarmee hij zijn huisarts

F.P. Brosterhaus Dors heeft bezocht. In zijn brief van 14 juli 2004 stelt de huisarts dat bij appellant sprake is van psychische decompensatie en een stressstoornis, zich uitend in woedeaanvallen, slaap- en paniekstoornissen. Hij schreef hem een antidepressivum voor en verwees hem in juni 2003 voor therapie naar een eerstelijns psycholoog.

In zijn rapport van 28 februari 2005 geeft psycholoog/psychotherapeut

drs. C.P.M. Willemse aan dat appellant sinds juli 2003 bij hem in behandeling is in verband met onder andere zijn depressie, borderlinestoornis en emotioneel disfunctioneren. Tot 28 februari 2005 heeft de psycholoog 25 gesprekken met appellant gevoerd, waarbij deze vaak een chaotische indruk maakte. Verder is hem gebleken dat appellant de aandacht niet bij het gespreksonderwerp kan houden, de grootste moeite heeft met zijn wisselende stemmingen en zich regelmatig zeer geagiteerd uit. Geconcludeerd wordt dat appellant een gebrekkige concentratie heeft, waardoor hij essentiële informatie niet onthoudt, dat hij zeer vaak in conflict komt met zijn omgeving, dat relatievorming in het algemeen problematisch is en de appellant overreageert op stressfactoren. Willemse concludeert dat het overduidelijk is dat de arbeidsmogelijkheden van appellant minimaal waren en zijn.

Voorts blijkt uit de gedingstukken dat appellant in de loop van 2004 door de huisarts is verwezen naar de Riagg. Deze instelling heeft hem doorverwezen naar het Delta Bouman Psychiatrisch Ziekenhuis, waar appellant op 7 december 2004 is opgenomen om een intensieve dagtherapie ter behandeling van een bij hem vastgestelde ernstige depressieve stoornis te volgen.

Gelet op het bovenstaande is de Raad tot het oordeel gekomen dat het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, dat uit de beschikbare gegevens moet worden geconcludeerd dat bij appellant - na zijn uitval wegens psychische problemen in april 2003 - op de datum in geding, 26 april 2004, geen sprake was van ernstige psychiatrische problematiek, maar dat veeleer sprake moet zijn geweest van een verslechtering in de periode van april 2004 tot december 2004, niet zonder meer kan worden gevolgd en in ieder geval niet voldoende is onderbouwd. Het bestreden besluit berust derhalve op een ontoereikend gemotiveerde medische grondslag en dient wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de zaak overweegt de Raad dat het beroep van appellant op de uitspraken van de rechtbank Almelo niet slaagt, zulks gelet op de met betrekking tot die materie door de Raad gedane zogeheten CBBS II-uitspraken van

12 oktober 2006 (onder andere LJN: AY9971), waarnaar de Raad hier verwijst.

Echter ook om een andere reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven. De aan de schatting ten grondslag gelegde functie samensteller hydraulische componenten

(Sbc-code 265110) kent een afwijkend arbeidspatroon (wisselende diensten met een ploegentoeslag). Aangezien appellant in de maatgevende arbeid niet heeft gewerkt in een functie met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden kan deze functie niet worden geduid. Ter zitting heeft het Uwv dit bevestigd. Er resteren dan slechts twee functies, hetgeen onvoldoende is om de schatting te kunnen dragen.

De laatste grief van appellant, dat de geduide functies gezien de totaalbelasting en afzonderlijke overschrijdingen niet passend zijn, behoeft geen bespreking meer.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Het Uwv zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Appellant heeft ook schadevergoeding gevorderd. Dienaangaande is de Raad van oordeel dat dit verzoek thans niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat de Raad onvoldoende inzicht heeft in de vraag of er schade wordt geleden en zo ja, welke omvang deze schade heeft. Wel zal het Uwv, indien een nieuw besluit op bezwaar wordt genomen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen, bij de voorbereiding van dat besluit tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad is van oordeel dat de grief van appellant dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken terzake van het beroep van appellant tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar terecht is voorgedragen. Appellant heeft immers beroep moeten instellen om te bewerkstelligen dat het bestreden besluit werd genomen. In een dergelijk geval ligt het in de rede dat de rechtbank gebruik maakt van de in artikel 8:75 van de Awb neergelegde bevoegdheid, wanneer zij constateert dat het procesbelang aan dat beroep is komen te ontvallen door het, hangende beroep, afgeven van een beslissing op bezwaar. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad de proceskostenveroordeling vaststellen met inachtneming van de namens appellant verrichte werkzaamheden in het kader van het beroep tegen het uitblijven van de beslissing op bezwaar. Deze werkzaamheden zijn beperkt gebleven tot het indienen van een beroepschrift, zijnde 1 punt als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad kan in een geval als het onderhavige in beginsel de wegingsfactor zeer licht worden gehanteerd. De Raad is niet gebleken van omstandigheden om daarover in dit geval anders te oordelen. Daarom zal de Raad het Uwv veroordelen in de proceskosten terzake in beroep tot een bedrag van

0,25 ? € 322,-. Daarnaast acht de Raad termen aanwezig het Uwv te veroordelen in de overige proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden in beroep begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op € 322,- voor verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 724,50.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag in totaal

€ 724,50 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.

(get.) R.C. Stam

(get.) W.R. de Vries

RJB