Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7515

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
06-1418 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Vaststelling maatgevende inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1418 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 januari 2006, 05/198

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2008.

Appellant is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid, ontleent de Raad de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:

“Eiser is sedert 1981 werkzaam als zelfstandig vertegenwoordiger in reclameborden. In verband met uitval voor zijn werkzaamheden is door eiser ingaande 22 februari 1993 een uitkering ingevolge de toenmalige Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) aangevraagd.

Bij besluit van 5 september 1994 is geweigerd aan eiser ingaande

30 oktober 1992 een AAW-uitkering toe te kennen. Het beroep dat eiser tegen dit besluit heeft ingesteld is door de rechtbank te Dordrecht bij uitspraak van

9 februari 1996 ongegrond verklaard.

Op 7 mei 2001 heeft eiser zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 9 juli 2001 is eisers mate van arbeidsongeschiktheid ingaande

30 oktober 2001 vastgesteld op minder dan 25% en is om die reden geweigerd aan eiser een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen.

Het bezwaar dat eiser tegen laatstgenoemd besluit heeft gemaakt, is bij besluit van 6 augustus 2001 ongegrond verklaard. Het beroep dat eiser tegen dit besluit heeft ingesteld is door deze rechtbank bij uitspraak van 16 juni 2003 gegrond verklaard.

Bij het thans bestreden besluit is eisers bezwaar andermaal ongegrond verklaard.”

De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

In haar uitspraak van 16 juni 2003 heeft de rechtbank overwogen dat de voor appellant geldende beperkingen op juiste wijze zijn vastgesteld en voorts dat appellant geschikt is te achten voor de bij de schatting gebruikte functies. De rechtbank heeft evenwel bedenkingen geuit inzake het in aanmerking genomen maatmaninkomen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat destijds bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per

30 oktober 1992 ervan is uitgegaan dat appellant volledig ongeschikt was voor de eigen werkzaamheden als zelfstandige, terwijl niet is gebleken dat de eigen functie in de periode na 30 oktober 1992 op enig moment weer passend is geacht. De rechtbank acht het daarom onbegrijpelijk dat het inkomen van appellant over de jaren 1995 tot en met 1999 aan de vaststelling van het maatgevende inkomen ten grondslag is gelegd, daar dat inkomen niet geacht kan worden representatief te zijn voor het verdienvermogen van appellant als volledig gezonde zelfstandig vertegenwoordiger.

De rechtbank heeft het besluit van 6 augustus 2001 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant, waarbij zij heeft aangegeven dat het niet ondenkbaar is dat appellant moet worden beschouwd als een zogeheten medische afzakker, waarbij onder meer van belang is te achten dat appellant heeft aangegeven dat zijn bedrijfsresultaten reeds vanaf 1986 negatief worden beïnvloed door zijn gezondheidsproblemen.

Partijen hebben in evenvermelde uitspraak berust en het Uwv heeft ter uitvoering daarvan en na nader arbeidskundig onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 9 december 2004 van de bezwaararbeidsdeskundige Elfrink, het bezwaar andermaal ongegrond verklaard bij besluit van 31 december 2004, het thans bestreden besluit.

Uit evenvermeld arbeidskundig rapport komt naar voren dat voor de vaststelling van het maatgevende inkomen thans tot uitgangspunt is genomen het gemiddelde van de inkomsten die appellant heeft verworven in de drie jaren voorafgaande aan zijn eerste uitval in november 1991. Daar dat inkomen minder bedroeg dan het wettelijk minimumloon is het maatmaninkomen ongewijzigd bepaald op dat wettelijke minimumloon, eveneens ongewijzigd resulterend in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%.

De Raad begrijpt hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd - helemaal duidelijk is dit niet - in elk geval mede aldus dat appellant nog steeds van mening is dat van een ander - hoger - maatgevend inkomen dient te worden uitgegaan en dat hij dan wel in aanmerking zou komen voor een uitkering ingevolge de WAZ.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat in deze procedure, gelet op hetgeen de rechtbank in haar eerdere uitspraak van 16 juni 2003 heeft overwogen en geoordeeld - in welke uitspraak, als hiervoor vermeld, beide partijen hebben berust - de juistheid van de in aanmerking genomen beperkingen en de passendheid van de bij de schatting betrokken functies in rechte vaststaan.

Voorts overweegt de Raad dat de door appellant naar voren gebrachte grieven met betrekking tot het maatgevende inkomen geen doel treffen. Op grond van de beschikbare gegevens staat in de eerste plaats genoegzaam vast - door appellant wordt dat op zich ook niet betwist - dat indien als aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid wordt aangehouden het thans door het Uwv tot uitgangspunt genomen tijdstip van zijn eerste uitval in november 1991, het aan de hand van de alsdan in aanmerking te nemen drie refertejaren 1990, 1989 en 1988 vast te stellen maatmaninkomen (ook dan) niet uitkomt boven het niveau van het wettelijk minimumloon.

Voor zover appellant de stelling zou betrekken dat de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid op een (nog) eerder tijdstip dient te worden bepaald - appellant heeft in dit verband ter zitting herhaald dat zijn rugklachten zijn ontstaan na een (mislukte) behandeling door een zogeheten bottenkraker in 1988 - overweegt de Raad als volgt. In het midden kan blijven wat er zij van deze stelling - die erop neerkomt dat appellant reeds te rekenen vanaf het bewuste incident in 1988 als een zogenoemde medische afzakker zou moeten worden beschouwd - aangezien de hiervoor genoemde bezwaararbeidsdeskundige Elfrink in een aanvullend rapport van 1 april 2005 aan de hand van in de fase van het beroep alsnog beschikbaar gekomen inkomensgegevens over die jaren, heeft uiteengezet dat ook indien zou worden uitgegaan van de jaren 1987, 1986 en 1985 als maatgevende jaren, het op de bedrijfsresultaten van die jaren te baseren maatmaninkomen nog steeds minder bedraagt dan het wettelijk minimumloon. De Raad heeft in het licht van de beschikbare gegevens geen reden om die conclusie, die overigens door appellant evenmin is betwist, niet voor juist te houden.

Nu het er aldus voor moet worden gehouden dat het maatmaninkomen van appellant met juistheid is bepaald op een bedrag ter hoogte van het wettelijk minimumloon, terwijl voorts in rechte vaststaat dat hij met diverse loondienstfuncties nog een inkomen ter hoogte van datzelfde minimumloon kan verwerven, is op goede gronden besloten appellant per 30 oktober 2001 geen uitkering ingevolge de WAZ toe te kennen.

De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, komt voor bevestiging in aanmerking.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) S. Sweep.