Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7506

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
06-4010 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering. Methode voor het Rangordenen van Functies (MRF).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4010 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2006, 04/1267 en 05/3413 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 20 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2008. Appellant is verschenen met bijstand van mr. O.W. Borgeld, werkzaam bij de CMHF. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.D. Kootstra, advocaat te Amsterdam, en door L.F. Blokzijl, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was ten tijde hier van belang werkzaam als senior medewerker ICT-audit bij de afdeling Consultancy van de Dienst Accountancy & Consultancy van de gemeente Amsterdam.

1.2. Bij besluit van 5 juni 2003 is de waardering van deze functie vastgesteld op 67 punten, hetgeen overeenkomt met salarisschaal 11. Bij het bestreden besluit van 24 februari 2004 heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant gegrond verklaard en de waardering nader bepaald op 76 punten, hetgeen overeenkomt met salarisschaal 11A.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep bestreden, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. De omstandigheid dat na de tweede hoorzitting geen inhoudelijk gewijzigd advies is uitgebracht, rechtvaardigt niet de daaraan door appellant verbonden conclusie dat de tweede hoorzitting deelt in de eventuele gebreken die de eerste hoorzitting aankleefden. Evenmin heeft appellant aangetoond dat het horen onzorgvuldig is geweest.

2.2. Bij het uitvoeren van de functiewaardering is gebruik gemaakt van de in de gemeente Amsterdam geldende Methode voor het Rangordenen van Functies (MRF). Mede gelet op de ter zitting gegeven toelichting, heeft de Raad onvoldoende grond gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de stelling van het college dat bij het nemen van het bestreden besluit is vooruitgelopen op de in 2004 in de MRF aangebrachte wijzigingen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat die wijzigingen als zodanig tot een hogere waardering noopten.

2.3. De MRF behelst kort gezegd een puntenwaardering op negen functie-aspecten, volgens nader omschreven maatstaven en in vergelijking met daartoe bestemde normfuncties. Blijkens het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet in geschil dat in dit geval geen normfunctie valt aan te wijzen die een zinvolle vergelijking toelaat. Wel heeft het college bij het nemen van het bestreden besluit acht geslagen op de door appellant vergelijkenderwijs naar voren gebrachte, hoger gewaardeerde functies en gemotiveerd aangegeven waarom die hogere waardering zijns inziens voor die functies gerechtvaardigd is. De Raad kan deze door het college gevolgde benadering niet voor onjuist houden. De hierop betrekking hebbende beroepsgronden treffen dan ook geen doel.

2.4. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van de waardering stelt de Raad voorop dat deze volgens vaste jurisprudentie is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de waardering op onvoldoende gronden berust (CRvB 1 december 2005, LJN AV6117 en TAR 2006, 87). Dit laatste betekent dat pas tot vernietiging van de bestreden waardering kan worden overgegaan indien deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

2.5. Op het aspect K3 (structuur van de werkzaamheden) heeft het college de score e+ toegekend. Daarbij staat de letter e voor gevarieerde werkzaamheden in een veld met complexe structuur en leidt de plus, vanwege het voorkomen van ongestructureerde werkzaamheden, tot toekenning van 10 punten op een schaal van 9 11. Dat aan de functie van appellants leidinggevende een score f is toegekend, welke staat voor werken in een ongestructureerde situatie met een schaal van 12 13 punten, brengt niet met zich dat de score e voor de functie van appellant onhoudbaar is. Het mag zo zijn dat beide functies globaal hetzelfde werkveld bestrijken het betreft immers dezelfde afdeling maar daarmee is niet gezegd dat de structuur van de werkzaamheden van het afdelingshoofd gelijk is aan de structuur van de werkzaamheden van de senior medewerker. Veeleer ligt het tegendeel voor de hand, nu sprake is van een hiërarchische relatie tussen beide functionarissen. Daarbij gaat het, gezien de uitgangspunten van het onderhavige systeem, om de organiek aan de functie verbonden werkzaamheden en niet om de invulling die appellant en zijn leidinggevende de in het bestreden besluit met name genoemde Van B. in de praktijk aan hun functies geven. Ook hetgeen overigens naar voren is gekomen, in het bijzonder omtrent de financiële belangen en de raakvlakken met beleid waarmee de senior medewerker te maken krijgt, leidt niet tot het oordeel dat de score e+ onhoudbaar is.

2.6. Op het aspect V1 (verantwoordelijkheid voor persoonlijk te verrichten werkzaamheden) is de score h toegekend, met daaraan verbonden 10 punten op een schaal van 10 tot 12. De score h staat voor regelmatige zorg voor gevarieerd werk van complexe structuur met het geven van rekenschap op middellange termijn. Niet is in te zien dat de omstandigheid dat appellant, naar hij aanvoert, als Register EDP-auditor (RE) is onderworpen aan specifieke beroepsregels tot een hogere waardering dwingt.

2.7. Voor het aspect V2 (verantwoordelijkheid voor het werk en functioneren van anderen) zijn geen punten toegekend. Ter zitting is gebleken dat appellant de omschrijving van zijn verantwoordelijkheid voor het werk van de andere medewerkers van de afdeling, zoals neergelegd in de functietypering, op zichzelf als juist aanvaardt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, wordt dus niet de typering bestreden, maar de invulling die het college daaraan bij de waardering heeft gegeven. De bewoordingen van de in rechte vaststaande functietypering stellen echter buiten twijfel dat aan appellant uitsluitend een coördinerende en begeleidende rol is opgedragen. Nu aan de functie geen hiërarchisch leidinggevende taken of vormen van personele apparaatszorg zijn verbonden, acht de Raad het niet toekennen van punten voor dit aspect in overeenstemming met tekst en systematiek van de MRF. Dat de verantwoordelijkheid van appellant voor het werk van anderen wel eens als "aansturen" wordt betiteld, is onvoldoende voor het oordeel dat die verantwoordelijkheid met hiërarchisch leidinggeven gelijk is te stellen. Ook hier verdient opmerking dat het gaat om de organieke functie en niet om de concrete invulling die de functionaris aan de functie geeft.

2.8. Hetgeen hiervóór is overwogen, brengt met zich dat het college voor het aspect Z2 (leiding, controle of toezicht) terecht is uitgegaan van een situatie van niet-hiërarchische bevoegdheden. De op die basis toegekende score E is de hoogst mogelijke, met een schaal van 5 6 punten, en ziet op het geven van zeer ingrijpende opdrachten ten aanzien van de werkuitvoering. Dat geen plus is gescoord en daarom slechts 5 punten zijn toegekend, acht de Raad voldoende onderbouwd met de overweging dat de functie in belangrijke mate is gelegen op D niveau (opdrachten van ingrijpende aard, 3 4 punten) en dat de moeilijkheidsgraad van het werk aanleiding is geweest om de functie niettemin in de hoogste categorie in te delen.

2.9. Voor zover na het vorenstaande nog zelfstandige betekenis toekomt aan de door appellant getrokken vergelijking met andere functies, waaronder die van zijn afdelingshoofd en die van (senior) auditor Integriteit, heeft het college naar het oordeel van de Raad aannemelijk gemaakt dat op de hier aan de orde zijnde aspecten sprake is van verschillen die gegeven de terughoudende rechterlijke toetsing de andere waarderingsuitkomst voldoende kunnen verklaren.

2.10. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en W. van den Brink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2008.

(get.) J.C.T. Talman.

(get.) K. Moaddine.

BvW

73