Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
05-3471 WAO en 05-3472 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting, herziening en terugvordering WAO-uitkering. Korting en terugvordering ZW-uitkering. Herziening met terugwerkende kracht. Zwart boven loon? Afdoende feitelijke grondslag? Voldoende motivering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3471 WAO en 05/3472 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 april 2005, 03/1814 en 04/880 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Gerbers, advocaat te Beuningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 juli 2007 heeft mr. C.H.M. Jacobs, advocaat te Nijmegen, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Bij brief van 24 juli 2007 heeft het Uwv een vraagstelling van de Raad beantwoord en een ontbrekend stuk ingezonden.

Bij brief van 23 november 2007 heeft appellant zijn standpunt nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een aantal andere zaken, plaatsgevonden op 4 december 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Jacobs voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door E. van den Brink en

mr. I.D. Mak.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in iedere zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Appellant ontvangt, voor zover thans van belang, sedert 17 oktober 1989 een uitkering ingevolge (onder meer) de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, nadat hij in

oktober 1988 in verband met gewrichtsklachten zijn[werkgeefster]atenmaker voor [werkgeefster]] heeft moeten staken. Naast zijn uitkering heeft appellant zijn werkzaamheden bij [werkgeefster] in 1989, in overleg met een voor het toenmalige Sociaal Fonds Bouwnijverheid werkzame arbeidsdeskundige, hervat in aangepaste vorm en tegen een lagere loonwaarde. De door appellant jaarlijks opgegeven verdiensten hebben nimmer aanleiding gegeven tot enigerlei aanpassing van zijn WAO-uitkering.

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek dat in samenwerking met de FIOD-ECD is ingesteld naar vermoedelijk door [werkgeefster] gepleegde premie- (en belasting)fraude is volgens het Uwv gebleken dat deze onderneming buiten de loonadministratie om betalingen heeft verricht aan diverse werknemers. Het betreft zowel betalingen aan zogenoemde ‘zwartwerkers’ als betalingen van zogenoemd ‘zwart bovenloon’, dat wil zeggen loon dat naast het in de loonadministratie verantwoorde ‘witte’ loon is uitbetaald. Bij het onderzoek zijn zogenoemde overzichts(loon)lijsten aangetroffen. De op deze overzichtslijsten in de ‘0’-kolom vermelde bedragen hebben volgens de onderzoekers betrekking op ‘zwart bovenloon’. De opsporingsdienst van het Uwv heeft naar aanleiding van deze (algemene) bevindingen, daarbij gebruik makend van gegevens afkomstig uit eerdergenoemd onderzoek, een nader onderzoek ingesteld naar het plegen van uitkeringsfraude door onder meer appellant ten nadele van het Uwv. De resultaten van dit onderzoek ten aanzien van appellant zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude van 10 april 2003. Uit dit rapport (hierna: het rapport werknemersfraude) blijkt volgens het Uwv onder andere dat appellant feitelijk een volwaardige arbeidsprestatie leverde voor [werkgeefster], hetgeen rechtvaardigde dat zijn werkzaamheden tegen een volwaardig uurtarief werden gefactureerd aan de opdrachtgevers van [werkgeefster]. Op basis van de in het rapport werknemersfraude neergelegde bevindingen heeft het Uwv het zeer aannemelijk geacht dat aan appellant naast het opgegeven loon ‘zwart bovenloon’ is betaald over de periode van 16 maart 1998 tot en met 10 juni 2002.

Bij besluit van 5 mei 2003, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 21 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit 1), heeft het Uwv de uitbetaling van de WAO-uitkering per

1 juni 2003 geschorst onder overweging dat appellant mogelijk geen recht meer heeft op een WAO-uitkering.

Het Uwv heeft vervolgens de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per

16 maart 1998 aan een herbeoordeling onderworpen. Daartoe heeft het Uwv een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek laten verrichten. De neerslag hiervan is te vinden in de rapportages van de verzekeringsarts W. Blok en de arbeidsdeskundige H.B.M. Langendijk, gedateerd respectievelijk 16 juni 2003 en

25 juni 2003. Blok achtte de belastbaarheid van appellant sinds 16 maart 1998 niet veranderd. Hij heeft een belastbaarheidspatroon opgesteld dat de belastbaarheid van appellant weergeeft per 16 maart 1998. Omdat appellant nog steeds ongeschikt werd geacht voor zijn oude functie van stratenmaker, heeft de arbeidsdeskundige Langendijk met behulp van het Functie Informatie Systeem functies geselecteerd. Vergelijking van de mediane loonwaarde van deze functies met het maatmaninkomen van appellant leverde per 16 maart 1998 een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% op. Langendijk heeft voorts uiteengezet op welke wijze bij de toepassing van artikel 44 van de WAO op en na 16 maart 1998 rekening dient te worden gehouden met de verdiensten die appellant volgens het rapport werknemersfraude feitelijk heeft genoten. Dit alles is uitgemond in de volgende besluitvorming.

Bij besluit I van 20 november 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering:

­ met ingang van 16 maart 1998 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%,

­ met ingang van 16 maart 1998 in verband met inkomsten uit arbeid niet geheel wordt uitbetaald, maar, gelet op de gerealiseerde loonwaarde, wordt uitbetaald naar een (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%,

­ met ingang van 1 januari 1999 niet tot uitbetaling komt,

­ met ingang van 1 januari 2001 wederom wordt uitbetaald naar een (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, en

­ met ingang van 16 maart 2001 – gelet op het verstrijken van de in artikel 44, tweede lid, van de WAO, laatste volzin, genoemde periode van drie jaar – wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij besluit II van 20 november 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) over een aantal onderscheiden periodes in 1998, alsmede in 2000 en 2001 niet tot uitbetaling komt.

Bij besluit I van 8 januari 2004 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 39.959,15 (bruto inclusief overhevelingstoeslag) aan over de periode van 16 maart 1998 tot en met 31 mei 2003 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering teruggevorderd.

Bij besluit II van 8 januari 2004 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 413,43 (bruto inclusief overhevelingstoeslag) aan over de in het besluit II van 20 november 2003 nader genoemde periodes onverschuldigd betaalde ZW-uitkering teruggevorderd.

Bij besluit III van 8 januari 2004 heeft het Uwv namens het Aanvullingsfonds Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van appellant een bedrag van € 949,96 (bruto inclusief overhevelingstoeslag) aan over de jaren 1998 tot en met 2002 ten onrechte verstrekte eindejaarsuitkering teruggevorderd.

Bij besluit van 23 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit 2), voor zover thans van belang, heeft het Uwv de tegen de besluiten I en II van 20 november 2003 en de besluiten I en II van 8 januari 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 24 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit 3) heeft het Uwv het tegen het besluit III van 8 januari 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 3 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat voldoende aannemelijk is dat appellant in de periode van

16 maart 1998 tot en met 15 maart 2001 ‘zwart loon’ van zijn werkgever heeft ontvangen. De rechtbank heeft daarbij betekenis toegekend aan de (getuigen)verklaring van

[hoofduitvoerder] hoofduitvoerder bij de onderneming [naam onderneming], de (getuigen)verklaringen van [naam uitvoerders 1 en 2], uitvoerders bij [werkgeefster], en de eigen verklaringen van appellant. De rechtbank achtte het volstrekt onaannemelijk dat appellant gezien zijn uit die verklaringen blijkende uitstekende werkprestatie zou hebben gewerkt voor het aan het Uwv opgegeven loon. De rechtbank heeft ten slotte een beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel verworpen.

Appellant heeft in hoger beroep, kort gezegd, het volgende aangevoerd. Appellant meent in de eerste plaats dat het bestaan van een ‘zwarte’ (loon)administratie bij [werkgeefster] onvoldoende is komen vast te staan. Appellant heeft daarnaast de betrouwbaarheid van de verklaringen van de uitvoerders van de opdrachtgevers van [werkgeefster] in twijfel getrokken. Deze uitvoerders waren immers slechts af en toe aanwezig op de uit te voeren werken en hadden daardoor onvoldoende zicht op de arbeidsprestatie van appellant. Appellant stelt verder dat de onderhavige besluitvorming in strijd moet worden geacht met het rechtszekerheidsbeginsel. Appellant heeft zich voorts beroepen op een brief van

[feitelijk leidinggevende], feitelijk de leidinggevende bij [werkgeefster], van 29 september 2003 waarin deze verklaart geen ‘zwart’ loon aan betrokkenen te hebben uitbetaald en het geld dat betrokkenen volgens het Uwv hebben ontvangen in eigen zak te hebben gestoken. Appellant heeft tot slot zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel herhaald, waarbij hij in het bijzonder heeft gewezen op een door het Uwv in bezwaar genomen besluit van

23 december 2003 ten aanzien van B. [naam R.], een collega van appellant.

In de in rubriek I genoemde brief van 24 juli 2007 heeft het Uwv nader toegelicht dat zijn conclusie met betrekking tot de ‘zwarte’ betalingen aan de individuele bij het fraudeonderzoek betrokken werknemers vooral is gebaseerd op de bij [werkgeefster] aangetroffen schaduwadministratie, bestaande uit de overzichtslijsten met het daarop vermelde ‘bovenloon’ per werknemer en de witte notitieblaadjes, alsmede de diverse zich onder de stukken bevindende verklaringen over de schaduwadministratie en over de door de betrokkenen geleverde arbeidsprestatie.

Ter zitting is namens appellant desgevraagd aangegeven dat het hoger beroep zich niet richt tegen het oordeel van de rechtbank over de bij het bestreden besluit 1 gehandhaafde schorsing van de uitbetaling van de WAO-uitkering en de bij het bestreden besluit 3 gehandhaafde terugvordering van de eindejaarsuitkering. Het geding in hoger beroep is derhalve beperkt tot de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat het bestreden besluit 2 in rechte stand kan houden. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

De Raad is met het Uwv van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens voldoende grond bieden voor de vaststelling dat [werkgeefster] er een (gedeeltelijk) ‘zwarte’ boekhouding op na hield en dat er binnen deze onderneming, naast de reguliere loonbetalingen, ‘zwart’ loon werd uitbetaald aan bepaalde werknemers. De gegevens die uit het rapport werknemersfraude naar voren komen bieden voldoende steun aan deze algemene conclusie van het Uwv, zodat de daartegen gerichte grieven moeten worden verworpen. Dit betekent evenwel nog niet dat het bestreden besluit 2 in rechte stand kan houden.

De herziening van de WAO-uitkering met ingang van 16 maart 1998

De Raad roept allereerst in herinnering zijn vaste rechtspraak, waarin tot uitdrukking is gebracht dat de herziening of intrekking van een uitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd moet worden geacht met het rechtszekerheidsbeginsel, tenzij van strijd met dit beginsel geen sprake is. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan het geval waarin het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door de verzekerde, terwijl het bestuursorgaan een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen als het destijds wel de juiste feiten had gekend.

Uit de vaste rechtspraak van de Raad volgt verder dat voor het (mogelijk) aannemen van deze uitzonderingsgrond op de hoofdregel, in een geval als het onderhavige, is vereist dat de door appellant verrichte werkzaamheden, als aannemelijk gemaakt door het Uwv, een voldoende indicatie opleveren voor zijn verdiencapaciteit. Is aan deze voorwaarde voldaan dan dient het Uwv vervolgens per datum in geding de geschiktheid van appellant, medisch en arbeidskundig, voor functies na te gaan.

In het onderhavige geval dient de Raad te toetsen of is voldaan aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot een theoretische schatting over te gaan. Daarbij staat voorop de vraag of de door het Uwv aangevoerde feiten en omstandigheden een voldoende indicatie opleveren voor de verdiencapaciteit van appellant op de datum in geding. Bij een negatieve beantwoording van deze vraag kan de schatting niet in stand blijven, zodat de Raad alsdan niet toekomt aan een beoordeling van de medische en arbeidskundige merites van de zaak. De Raad benadrukt voorts dat een herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht, in casu voor een periode van ruim vijf jaar, een diep ingrijpende maatregel is die een afdoende feitelijke grondslag behoeft. Zo zullen de werkzaamheden en de daaruit genoten verdiensten een voldoende omvang moeten hebben, willen deze een indicatie als waar het hier om gaat kunnen opleveren. De Raad verwijst bij dit alles naar onder meer zijn uitspraken van 10 oktober 2000, gepubliceerd in RSV 2000/245 (LJN: AL1171) en 9 december 2005, gepubliceerd in RSV 2006/36 (LJN: AU7912).

In het licht van deze uitgangspunten is het volgende van belang.

Ter zitting van de Raad heeft het Uwv aangegeven dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel, voor zover dat beroep betrekking heeft op het door het Uwv in bezwaar genomen besluit ten aanzien van [naam R.], niet kan slagen omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Het Uwv heeft aangegeven er in het geval [naam R.] niet van te zijn overtuigd dat door hem een zodanige arbeidsprestatie is verricht dat het aannemelijk is te achten dat het op de overzichtslijsten achter de naam van [naam R.] aangegeven ‘0’-bedrag ook daadwerkelijk aan hem is uitbetaald. In de gevallen waarin het Uwv de door hem genomen herzienings- en kortingsbesluiten in bezwaar heeft gehandhaafd, waaronder het geval van appellant, is het Uwv van mening dat door de betrokkenen een zodanige arbeidsprestatie is verricht dat én moet worden vastgesteld dat deze arbeidsprestatie een grotere loonwaarde vertegenwoordigt dan de aangepaste arbeid waarin de betrokkenen zijn aangevangen en waarvan toentertijd de loonwaarde in overleg met een arbeidsdeskundige van (de rechtsvoorganger van) het Uwv is vastgesteld én aannemelijk is te achten dat de op de overzichtslijsten achter de namen van deze betrokkenen aangeven ‘0’-bedragen ook daadwerkelijk aan deze betrokkenen zijn uitbetaald.

De Raad stelt vast dat het Uwv, gelet op deze benadering, kennelijk voor zijn opvatting dat er door betrokkenen ‘zwart’ loon is ontvangen zowel de door de betrokkenen geleverde arbeidsprestaties van belang acht als de op de overzichtslijsten achter de namen van de betrokkenen aangeven ‘0’-bedragen. Als met betrekking tot de arbeidsprestatie moet worden aangenomen dat deze niet (veel) meer is geweest dan het verrichten van de werkzaamheden zoals deze bij de aanvang van de aangepaste werkzaamheden met een arbeidsdeskundige zijn besproken, wordt er kennelijk van uitgegaan dat niet aannemelijk is te achten dat de op de overzichtslijsten aangeven ‘0’-bedragen daadwerkelijk zijn uitbetaald.

Dit leidt ertoe dat met betrekking tot de vraag of ervan mag worden uitgegaan dat de betrokkenen ‘zwart’ loon hebben ontvangen, allereerst dient te worden bezien of genoegzaam aannemelijk is te achten dat door de betrokkenen gedurende de ten aanzien van elk van hen door het Uwv in aanmerking genomen periode een arbeidsprestatie is geleverd die zodanig afwijkt van de arbeidsprestatie waarvan bij de aanvang in aangepaste werkzaamheden sprake was in het overleg met de arbeidsdeskundige – deze heeft immers, afgaande op die aangepaste werkzaamheden, daaraan een bepaalde loonwaarde toegekend – dat aannemelijk is te achten dat aan de betrokkenen meer loon is uitbetaald dan is vermeld op de ten aanzien van elk van hen opgestelde loonstroken en wel tot de op de overzichtslijsten achter de namen van de betrokkenen aangegeven

‘0’-bedragen.

De Raad ziet in de voorhanden zijnde stukken onvoldoende grondslag om de hierboven weergegeven vraag ten aanzien van elk van de betrokkenen voldoende gefundeerd te kunnen beantwoorden. Weliswaar is ten aanzien van de werkzaamheden van elk van de betrokkenen door één of meer uitvoerders van projecten waarop de betrokkenen hebben gewerkt aangegeven dat de betrokkenen – de één in ruimere mate dan de ander – een min of meer reguliere arbeidsprestatie hebben verricht, maar daar staat tegenover dat door de betrokkenen en door de collega’s waarmee dezen in ploegen van stratenmaker en opperman hebben samengewerkt, steeds is verklaard dat er binnen de ploegen van een vorm van verdeling van de werkzaamheden sprake was, te weten dat de ploeggenoot van elk van de betrokkenen de zwaardere werkzaamheden voor zijn rekening nam en de betrokkenen de lichtere werkzaamheden verrichtten, waarbij in bepaalde gevallen ook aan sommige van de betrokkenen een hulpmiddel is verschaft, de zogeheten rolmops, om het werk voor hen lichter te maken. De verklaring van de uitvoerders [naam uitvoerders 1 en 2] acht de Raad ten slotte zodanig algemeen dat daaraan geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend, waarbij de Raad het ervoor houdt dat, nu deze uitvoerders steeds hebben ontkend te weten dat er WAO-ers voor hen werkzaam waren, de verklaring dat de betrokkenen volledig werkzaam waren met name dient te worden begrepen als werkzaam gedurende hele weken en hele werkdagen.

Dit alles overziend is de Raad van oordeel dat de onderhavige herziening een afdoende feitelijke grondslag mist. Het Uwv heeft, nu niet aannemelijk is geworden dat appellant in een zodanige mate als aangenomen bij bestreden besluit 2 meer verdiende dan hij aan het Uwv heeft opgegeven, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat de door hem aangedragen feiten en omstandigheden een voldoende indicatie in de voorbedoelde zin opleveren. De bij bestreden besluit 2 gehandhaafde herziening van de WAO-uitkering met ingang van 16 maart 1998 kan derhalve in rechte geen stand houden.

De korting op de WAO-uitkering

De – mede in het licht van het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel – hiervoor in het kader van de beoordeling van de herziening van de WAO-uitkering van appellant besproken vragen kunnen bij de beoordeling van de korting op die uitkering logischer-wijze niet anders worden beantwoord. Dit betekent dat, nu klasse overschrijdende meerinkomsten in een omvang als bij bestreden besluit 2 aangenomen voor de Raad niet aannemelijk zijn geworden, ook de bij het bestreden besluit 2 gehandhaafde korting van de WAO-uitkering in rechte geen stand kan houden.

De terugvordering van WAO-uitkering

Uit hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de herziening van en korting op de

WAO-uitkering volgt dat de grondslag aan de terugvordering van WAO-uitkering is komen te ontvallen. Het bestreden besluit 2 kan derhalve ook voor zover het ziet op dit besluitonderdeel geen stand houden.

De korting en terugvordering van de ZW-uitkering

De Raad moet, evenals de rechtbank, vaststellen dat appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit II van 20 november 2003. Het oordeel van de rechtbank op dit punt wordt in hoger beroep ook niet bestreden. Het besluit II van 20 november 2003 is derhalve in rechte onaantastbaar geworden. Daarmee staat vast dat aan appellant gedurende enkele tijdvakken in de in geding zijnde periode onverschuldigd ZW-uitkering is betaald. Tegen de hoogte van het van appellant teruggevorderde bedrag aan

ZW-uitkering zijn geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Ten aanzien van de vraag of sprake is van een dringende reden op grond waarvan van terugvordering zou moeten worden afgezien, overweegt de Raad als volgt. Volgens de parlementaire geschiedenis kan van een dringende reden alleen sprake zijn in incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanleiding een dringende reden als hiervoor bedoeld aan te nemen.

Overwegingen ten overvloede

Mede naar aanleiding van hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen, hecht de Raad er tot slot aan – ten overvloede – nog het volgende op te merken.

Het Uwv is er in het kader van de toepassing van artikel 44 van de WAO bij de berekening van het door appellant – beweerdelijk – ‘zwart’ ontvangen (boven)loon kennelijk van uitgegaan dat appellant gedurende 52 weken per jaar, vijf dagen per week en acht uren per dag werkzaam is geweest. Het Uwv heeft aldus nagelaten dagen waarop appellant wegens ziekte dan wel anderszins – bijvoorbeeld wegens vakantie – niet aanwezig was buiten beschouwing te laten. De Raad acht deze handelwijze onzorgvuldig. Teneinde tot een vaststelling te kunnen komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert, had het op de weg gelegen van het Uwv aansluiting te zoeken bij de uit het onderzoek van de FIOD-ECD verkregen (gedetailleerde) informatie met betrekking tot het aantal daadwerkelijk door appellant gewerkte dagen.

Slotoverwegingen

De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit 2, behoudens voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering van de ZW-uitkering, niet deugdelijk is gemotiveerd, zodat het is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestreden besluit 2 komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, waarbij dat besluit in stand is gelaten, treft hetzelfde lot.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 9,60 aan reiskosten in beroep en op

€ 22,50 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.320,10.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit, behoudens voor zover dat besluit betrekking heeft op de terugvordering van de

ZW-uitkering;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.320,10, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Lochs.