Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7464

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
06/1905 WAO, 06/3907 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1905 WAO en 06/3907 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 februari 2006, 05/5496 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Als bijlage daarbij was onder meer gevoegd een nader besluit op bezwaar, gedateerd 15 juni 2006.

Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld bij beroepschrift van 3 februari 2008, voorzien van bijlagen, waaronder een verslag van een neurologisch onderzoek dat door de psycholoog A. Boersma is verricht op 29 augustus en

5 september 2006.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2008. Voor appellant is verschenen mr. Van Es, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 29 september 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 24 november 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij besluit van 28 juni 2005, hierna: bestreden besluit 1, is het door appellant tegen het besluit van 29 september 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts appellant lichamelijk hebben onderzocht, terwijl laatstgenoemde arts ook informatie bij de behandelende sector heeft ingewonnen. Tevens heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat van de zijde van appellant geen medische stukken in het geding zijn gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen. Ook de brief van PsyQ van 19 december 2005 heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven voor een andersluidend oordeel, in welk kader de rechtbank heeft overwogen dat in die brief is vermeld dat appellant sinds juli 2005 aldaar onder behandeling is en dat de inhoud van die brief, zoals namens appellant is aangegeven, onderstreept dat zijn psychische klachten zich opnieuw hebben geopenbaard.

De rechtbank heeft zich niet met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 1 kunnen verenigen. Naar het oordeel van de rechtbank is met betrekking tot die grondslag geen sprake geweest van een volledige heroverweging in bezwaar, nu de bezwaararbeidsdeskundige naar aanleiding van het bezwaarschrift vragen heeft gesteld aan de primaire arbeidsdeskundige, maar niet is kunnen blijken dat de bezwaararbeidsdeskundige zich heeft kunnen stellen achter de beantwoording van die vragen door de primaire arbeidsdeskundige en evenmin blijkt van overleg tussen beiden. De rechtbank heeft in verband hiermee geconcludeerd dat bestreden besluit 1 niet met de benodigde zorgvuldigheid is genomen.

Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin is geoordeeld dat voor hem de juiste beperkingen in aanmerking zijn genomen. Appellant houdt staande dat zijn beperkingen zijn onderschat, in welk verband hij in het bijzonder heeft gewezen op zijn rug-, nek- en schouderklachten, de klachten aan zijn benen, handen en vingers, zijn diabetes en de daarmee samenhangende visusklachten en duizeligheidsklachten. Tevens doet appellant een beroep op de uitkomsten van het in rubriek I vermelde neuropsychologisch onderzoek.

Appellant acht zich voorts niet in staat tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de functies die als voor hem passende arbeidsmogelijkheden bij de onderhavige schatting in aanmerking zijn genomen. Afgezien dat appellant, als gezegd, meent dat zijn beperkingen door de verzekeringsartsen zijn onderschat, wijst hij er in dit verband op dat de aan de functies verbonden belasting op meerdere onderdelen de voor hem vastgestelde belastbaarheid overschrijdt.

Het Uwv heeft in de uitspraak van de rechtbank berust en heeft ter uitvoering daarvan, na aanvullend onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige, een nader besluit genomen op het bezwaar van appellant, gedateerd 15 juni 2006, hierna: bestreden besluit 2. Bij dit besluit is het bezwaar andermaal ongegrond verklaard.

Bestreden besluit 2 dient met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure te worden betrokken. Appellant blijft in verband met een door hem gedaan verzoek tot vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 8:73 van de Awb, belang behouden bij een oordeel over de rechtmatigheid van bestreden besluit 1 en daarmee bij zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.

De Raad komt met betrekking tot de voor appellant vastgestelde beperkingen niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. Daarbij overweegt de Raad dat ook in hoger beroep geen medische gegevens zijn ingebracht die betrekking hebben op de in geding zijnde datum 24 november 2004 en waaruit naar voren komt dat op die datum meer of andere beperkingen voor appellant aan de orde zijn dan de beperkingen zoals neergelegd in de aan de schatting ten grondslag liggende functionele mogelijkhedenlijst.

Met betrekking tot het neuropsychologische onderzoek waarop appellant een beroep doet, geldt in de eerste plaats dat aan dat onderzoek geen artsen te pas zijn gekomen en de resultaten ervan - dan ook - niet zonder meer zijn te herleiden tot ziekte of gebrek in de zin van de WAO. Voorts dateert het onderzoek van geruime tijd na de in dit geding ter beoordeling voorliggende datum, terwijl uit het betreffende verslag niet blijkt dat de onderzoeksresultaten ook gelding zouden hebben voor de datum in geding. De Raad heeft er overigens kennis van genomen dat appellant inmiddels wegens (toegenomen) psychische klachten sedert begin 2007 een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt.

Ook met betrekking tot de overige klachten en aandoeningen van appellant is niet kunnen blijken van objectief-medische gronden voor het oordeel dat de gezondheidssituatie van appellant ten tijde hier van belang en de daaruit voor hem voortvloeiende arbeidsbeperkingen niet juist zouden zijn gewaardeerd.

Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld, staat voor de Raad ook genoegzaam vast dat de bij de schatting betrokken functies voor hem in medisch opzicht haalbaar zijn te achten. De Raad acht van de zijde van het Uwv afdoende toegelicht dat die functies geen belasting kennen - ook niet op de van de zijde van appellant met name genoemde aspecten - die buiten het bereik van appellant zou liggen. De Raad heeft daarbij acht geslagen op de rapporten van de arbeidsdeskundige van 26 januari en 23 juni 2005 alsmede - in het bijzonder - op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 31 mei 2006, met welk laatste rapport het door de rechtbank met betrekking tot de arbeidskundige grondslag geconstateerde gebrek is opgeheven. De toelichtingen van de arbeidsdeskundigen acht de Raad plausibel, waarbij de Raad met name opmerkt dat niet is kunnen blijken van een niet toegestane relativering of nuancering van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, ook niet met betrekking tot het in dit verband namens appellant genoemde aspect van het verrichten van repetitieve handelingen.

Tot slot overweegt de Raad dat de functies ook wat betreft de daaraan verbonden opleidingseisen als voor appellant geschikt kunnen worden aangemerkt. In dit verband wijst de Raad erop dat, naar ter zitting van de zijde van appellant is erkend, appellant beschikt over een LEAO-diploma en aldus geacht moet worden te voldoen aan de gestelde diploma-eisen.

Bestreden besluit 2 kan in rechte stand houden.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep, voor zover dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) S. Sweep.

JL