Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7462

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
06-3981 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Mee naar huis nemen van In beslag genomen vuurwerk voor eigen gebruik en restantvuurwerk dat eerder op verzoek van een legale vuurwerkhandelaar was afgevoerd. Verkoop van een 100.000-klapper. Verantwoording, (geen) onrechtmatig verkregen bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/122

Uitspraak

06/3981 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2006, 05/3686 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Gooi en Vechtstreek (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 13 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.J.J. Lamers, advocaat te Amstelveen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. Klinckhamers, advocaat te Amsterdam, en M.F. Rijnbeek, districtschef bij de politieregio Gooi en Vechtstreek. Ter zitting is op verzoek van appellant als getuige gehoord J. Kroon, wonende te Hilversum.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1948, was als brigadier van politie belast met het taakaccent milieu en vanuit die functie mede belast met de algehele coördinatie van vuurwerkzaken en met het beheer van in beslag genomen vuurwerk voor de hele politieregio Gooi en Vechtstreek (hierna: het korps). Na een tip van een informant dat appellant 100.000-klappers te koop zou aanbieden voor € 60,- is een strafrechtelijk onderzoek gelast, uit te voeren door het Bureau Integriteit van het korps. Nadat op 30 december 2004 was waargenomen dat appellant in beslag genomen vuurwerk uit een opslagplaats voor vuurwerk in Bussum (hierna: de bunker) mee had genomen en deze goederen deels bij appellant thuis zijn aangetroffen, is appellant op 31 december 2004 buiten functie gesteld en is hem de toegang tot de gebouwen van het korps ontzegd.

1.2. Bij brief van 31 januari 2005 heeft de korpsbeheerder appellant zijn voornemen kenbaar gemaakt hem met toepassing van artikel 76 en artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen.

1.3. Nadat appellant schriftelijk en mondeling zijn zienswijze op het ontslagvoornemen kenbaar had gemaakt, is aan appellant bij besluit van 9 maart 2005 met ingang van 15 maart 2005 disciplinair ontslag verleend. Appellant wordt verweten dat hij in beslag genomen vuurwerk voor eigen gebruik en restantvuurwerk dat eerder op verzoek van een legale vuurwerkhandelaar was afgevoerd mee naar huis heeft genomen en dat hij een 100.000-klapper heeft verkocht. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 juli 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt en dat deze gedragingen plichtsverzuim opleveren. De rechtbank achtte voorts de opgelegde straf niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

3. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zich afdoende te verantwoorden voorafgaand aan het nemen van het strafbesluit omdat het hem onduidelijk was wat hem precies werd verweten. Verder heeft hij aangevoerd dat er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs dat niet meegenomen mag worden in deze procedure. Appellant acht ten slotte de straf onevenredig, gelet op de binnen het korps heersende cultuur en omdat daarbij onvoldoende het belang van appellant op voortzetting van zijn dienstverband is meegewogen. Ter zitting heeft appellant nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Ter ondersteuning van zijn stelling dat hij niet afdoende in de gelegenheid is gesteld zich te verantwoorden heeft appellant zich beroepen op de uitspraak van de Raad van

14 mei 1992, TAR 1992/146. Uit die uitspraak komt naar voren dat voor het disciplinaire ambtenarenrecht als uitgangspunt geldt dat het een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een voornemen tot strafoplegging, duidelijk moet zijn ter zake van welk handelen of nalaten hij zich dient te verantwoorden.

Aan appellant moet worden toegegeven dat in het voornemen tot ontslag de appellant verweten handelingen iets minder expliciet zijn omschreven dan in het ontslagbesluit, maar in het ontslagbesluit zijn geen handelingen omschreven die niet kunnen worden teruggevoerd tot de omschrijving van de aan appellant verweten gedragingen in het voornemen en het besluit tot buitenfunctiestelling. Appellant heeft zich in zijn schriftelijke verantwoording uitgelaten over zowel het wegnemen van in beslag genomen vuurwerk uit de bunker als over de hem verweten handel in vuurwerk, zodat niet valt in te zien dat het hem niet duidelijk was voor welke feiten hij zich diende te verantwoorden.

4.2. Wat betreft de stelling dat het tegen appellant gehanteerde bewijsmateriaal onrechtmatig verkregen is en daarom uitgesloten zou moeten worden wijst de Raad erop dat in afwijking van de strikte toetsingsmaatstaf voor bewijsmateriaal die in het strafrecht wordt gehanteerd, in het ambtenarentuchtrecht ruimere maatstaven gelden. Immers, volgens vaste jurisprudentie (zie onder andere CRvB 22 januari 2004, LJN AO3220) is het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen slechts dan niet toegestaan indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in dit geval geen sprake. De Raad kan niet inzien dat het onrechtmatig zou zijn dat de korpsbeheerder de tip, afkomstig van een als betrouwbaar gekenschetste informant, dat appellant handelde in vuurwerk serieus heeft genomen en dat in het kader van het daarna gevolgde opsporingsonderzoek met toestemming van de officier van justitie meer ingrijpende opsporingsmiddelen zijn gebruikt.

4.3. Appellant heeft niet ontkend dat hij illegale in beslag genomen vuurpijlen voor eigen gebruik heeft meegenomen uit de bunker en evenmin dat hij restantvuurwerk van een legale vuurwerkhandelaar mee naar huis heeft genomen. Tevens staat vast dat appellant een 100.000-klapper in zijn bezit had, die hij aanvankelijk dacht te gebruiken bij de voorlichting op scholen. Toen die voorlichting vervolgens door bureau Halt werd gegeven heeft hij de 100.000-klapper niet naar de bunker gebracht, maar afgegeven aan een kennis. De Raad is van oordeel dat deze feiten, die ook het strafbare feit van verduistering in dienstbetrekking opleveren, als zeer ernstig plichtsverzuim moeten worden aangemerkt. Nu niet is gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan appellant is toe te rekenen, heeft het college zich terecht bevoegd geacht een disciplinaire straf op te leggen.

4.4. Ter adstruering van een volgens appellant binnen het korps bestaande cultuur met betrekking tot het omgaan met vuurwerk is ter zitting van de Raad een collega van appellant gehoord. Uit die verklaring in samenhang met de overige uit het dossier op te maken omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat in de periode waarin de bunker nog niet ter beschikking van het korps stond ten aanzien van het bewaren van vuurwerk voorafgaand aan het transport naar de dienst der Domeinen niet de ter zake geldende regels zijn nageleefd. De Raad ziet niet in dat deze wellicht te nonchalante wijze van omgaan met vuurwerk voor appellant een rechtvaardiging kan vormen voor de hem verweten gedragingen. Dat sprake zou zijn geweest van, zoals door appellant is gesteld, het afsteken van in beslag genomen vuurwerk op de politiepost is voor de Raad niet komen vast te staan en is door de getuige ook niet bevestigd, nog daargelaten dat ook een dergelijke omstandigheid geen rechtvaardiging kan vormen voor het gedrag van appellant.

4.5. Door de gemachtigde van appellant is nog aan de Raad verzocht op een nader te bepalen zitting als getuige te horen en als zodanig op te roepen H. Maigret, wonende te Wijk bij Duurstede. Nu de aan het strafontslag ten grondslag gelegde feiten voldoende vaststaan en mede gelet op het hiervoor onder 4.4. overwogene is de Raad van oordeel dat het horen van deze persoon als getuige redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De Raad wijst het verzoek derhalve af.

4.6. Appellant heeft zich ter zitting van de Raad beroepen op vier vergelijkbare gevallen waarin de korpsbeheerder ook het voornemen kenbaar heeft gemaakt om tot ontslag over te gaan wegens plichtsverzuim, maar uiteindelijk heeft besloten dat ontslag onredelijk zou zijn. Als voorbeeld hiervan heeft appellant het geval van een collega genoemd die een portofoon en een hondenkennel zou hebben verduisterd. De Raad stelt allereerst vast dat het, amper gemotiveerde, beroep op het gelijkheidsbeginsel op een dusdanig laat moment in de procedure is gedaan dat de korpsbeheerder daarop niet voorbereid kon en behoefde te zijn. Desalniettemin heeft de korpsbeheerder ten aanzien van het door appellant genoemde voorbeeld genoegzaam aannemelijk gemaakt dat die situatie niet op één lijn met de situatie van appellant is te stellen. De korpsbeheerder heeft de betreffende politieambtenaar wel degelijk ontslagen, maar dit strafontslag is door de rechtbank vernietigd, omdat de aan die politieambtenaar verweten gedragingen niet waren komen vast te staan.

4.7. De Raad is met de rechtbank en de korpsbeheerder van oordeel dat het appellant verweten plichtsverzuim zodanig ernstig is, dat - ook indien gelet wordt op de onmiskenbaar zeer aanzienlijke gevolgen die het strafontslag voor appellant meebrengt - de opgelegde straf daaraan niet onevenredig is te achten. Appellant heeft het vertrouwen dat de korpsbeheerder in hem moest kunnen stellen ernstig beschaamd en ook afbreuk gedaan aan het beeld van een betrouwbaar en integer politiekorps waar het publiek op mag rekenen.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en M.C. Bruning en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD

12.02