Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7457

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
06-3613 AW, 06-3614 AW en 06-3615 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermelding van de grondslag van de werkloosheidsuitkering in het toekenningsbesluit. Procesbelang. Besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2008-03-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/130

Uitspraak

06/3613 AW, 06/3614 AW en 06/3615 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 mei 2006, 04/1588, 04/2759 en 04/2760 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 20 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een repliek ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 februari 2008. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de hier relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het navolgende.

1.1. De minister heeft appellant met ingang van 1 april 2002 ontslag verleend onder toekenning van onder meer een uitkering gelijk aan het voor hem geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet (WW) en het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie (Bbwp), als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW. Daarbij is nog bepaald dat op de uitkering voor het overige de WW en het Bbwp van overeenkomstige toepassing zijn.

1.2. Namens de minister is aan appellant bij besluit van 24 maart 2004 met ingang van 1 april 2002 een uitkering op grond van de WW toegekend. Bij besluit op bezwaar van 9 juni 2004 (hierna: besluit I) is het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2004 gegrond verklaard, zijn de duur en de hoogte van de uitkering aangepast, is vermeld dat de WW en het Bbwp de basis vormen van de uitkering en is een vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend. Bij besluit van 23 juli 2004 (hierna: besluit II) is, zoals aangekondigd in besluit I, een aanvulling op dat besluit gegeven. Bij besluit van 12 oktober 2004 (hierna: besluit III) heeft de minister het bezwaar tegen besluit II niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten I, II en III niet-ontvankelijk verklaard.

2.1. Appellant acht de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bij de rechtbank ingestelde beroepen onjuist. Met zijn beroepen wilde hij bereiken dat de juiste grondslag van zijn uitkering in het toekenningsbesluit vermeld zou worden. Hij heeft tevens verzocht om vergoeding van proceskosten en van de kosten van bezwaar.

2.2. De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd het navolgende.

3.1.1. De Raad overweegt ambtshalve dat de besluiten I en II tezamen als besluit op het bezwaar tegen het primaire besluit van 24 maart 2004 hebben te gelden, aangezien besluit II de - door de minister in besluit I aankondigde - nadere uitwerking van besluit I behelsde. Naar aanleiding van appellants beroep tegen besluit II had de rechtbank dit besluit dus op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten betrekken bij het lopende beroep tegen besluit I. De Raad zal de besluiten I en II tezamen aanduiden als besluit 1.

3.1.2. Het beroep van appellant tegen besluit 1 strekt ertoe dat rechtens komt vast te staan dat de in geding zijnde uitkering niet haar direkte grondslag vindt in de WW en het Bbop zelf, maar bij het ontslagbesluit is toegekend met verdere overeenkomstige toepassing van die regelingen. Aangezien aan een verschil in grondslag mogelijke consequenties verbonden zouden kunnen worden of zouden kunnen zijn, kan aan appellant niet elk belang bij het instellen van beroep tegen dat besluit worden ontzegd. Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak met betrekking tot besluit 1, voor vernietiging in aanmerking komt.

3.1.3. Aangezien dit onderdeel van het geding naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de vraag beantwoorden of besluit 1 in rechte stand kan houden.

3.1.4. Het beroep van appellant tegen besluit 1 is, als gezegd, beperkt tot de zijns inziens onjuiste vermelding van de grondslag van zijn uitkering. In de eerste plaats merkt de Raad op dat bij het ontslagbesluit de aan appellant toekomende uitkering in haar algemeenheid reeds was toegekend. In het besluit waarbij de hoogte en de duur van de uitkering nog exact moesten worden vastgesteld was vermelding van een grondslag in wezen dus overbodig. Aan de stellingen van de minister valt te ontlenen dat niet bedoeld is om bij besluit 1 de in het ontslagbesluit vastgestelde grondslag van de uitkering te wijzigen. De bewoordingen van besluit 1 laten naar het oordeel van de Raad voldoende zien, dat de vastgestelde uitkering een uitkering is die gelijk is aan het voor appellant geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de WW en het Bbwp, waarop de WW en het Bbwp van overeenkomstige toepassing zijn.

3.1.5. Het vorenstaande brengt mee dat het beroep van appellant tegen besluit 1 niet slaagt. Het beroep tegen besluit 1 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

3.2.1. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen besluit III niet-ontvankelijk verklaard omdat besluit II naar het oordeel van de rechtbank geen besluit was.

3.2.2. Naar vaste jurisprudentie (CRvB 28 september 1995, LJN ZB1480 en TAR 1995, 246 en CRvB 27 januari 2000, 99/1746 AW en 99/1747 AW ), vormt een beslissing op een bezwaarschrift als zodanig een publiekrechtelijke rechtshandeling en moet deze daarom gezien worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Of het bezwaar zelf ontvankelijk is, is voor de ontvankelijkheid van het beroep tegen het besluit op bezwaar bij de rechtbank niet van belang. Nu de rechtbank dit bij zijn oordeel over besluit III heeft miskend, komt de aangevallen uitspraak met betrekking tot besluit III voor vernietiging in aanmerking.

3.2.3. Aangezien ook dit onderdeel van het geding naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de vraag beantwoorden of besluit III in rechte stand kan houden. Dit betekent dat bezien moet worden of bij besluit III het bezwaar tegen besluit II terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

3.2.4. Uit hetgeen onder 3.1.1. is overwogen blijkt dat besluit II geen zelfstandig primair besluit is waartegen bezwaar gemaakt kon worden en dat het bezwaar naar de rechtbank doorgezonden had moeten worden. Aangezien appellant echter tegen besluit II, zoals hij had meegedeeld in zijn bezwaarschrift, ook separaat beroep bij de rechtbank had ingesteld, kan het besluit van de minister tot (uitsluitend) niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar niet voor onjuist worden gehouden.

3.2.5. Het vorenstaande brengt mee dat het beroep tegen besluit III ongegrond verklaard moet worden.

4. Kosten van bezwaar en proceskosten.

4.1. In verband met het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten van bezwaar merkt de Raad op dat de minister bij besluit I aan appellant kosten van bezwaar heeft toegekend en dat appellant de hoogte van de vergoeding daarvan in (hoger) beroep niet heeft bestreden.

4.2. Voor vergoeding van de kosten van het bezwaar tegen besluit II bestaat geen grond, aangezien niet is voldaan aan de in artikel 8:75 in verbinding met artikel 7:15 van de Awb gestelde voorwaarden dat het in dat bezwaar aangevochten besluit is herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.3. De Raad acht wel termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep, welke worden begroot op € 483,- wegens aan appellant verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 en tegen besluit III ongegrond;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 483,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het in beroep tegen besluit II en het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en W. van den Brink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) K. Moaddine.

BvW

123