Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
06-4511 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Hennepkwekerij. Schending inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4511 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 juli 2006, 05/2903 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (hierna: Dagelijks bestuur), als rechtsopvolger van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het Dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug de taken en bevoegdheden uit in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) die voorheen door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist (College) werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Dagelijks bestuur tevens verstaan het College.

Namens appellante heeft mr. J. Bredius, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Voor appellante is verschenen mr. Bredius. Het Dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Roemens, werkzaam bij de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sinds 1 maart 1999 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de WWB. Volgens de ter zake door de regiopolitie Utrecht en de sociale recherche van de regio Zuid-Oost Utrecht opgemaakte processen-verbaal is op 21 maart 2005 een hennepkwekerij in een schuur achter de woning van appellante aangetroffen. Daar zijn resten van hennepplanten van ongeveer 10 weken oud en apparatuur, waaronder 12 assimilatielampen van elk 400 watt, gevonden. Een fraudemedewerker van Eneco heeft vastgesteld dat sprake was van stroomafname buiten de meter om. Bij de berekening van het stroomverbruik heeft die medewerker in aanmerking genomen dat er - gelet op de schimmelvorming op de vloer onder de planten, de restanten van hennepplanten, de vervuiling van koolstoffilters, de lege jerrycans van groeimiddelen, de kalkafzetting in de waterton en op de waterpompen en het stof op de lampen - 4 oogsten hadden plaatsgevonden en dat de kwekerij tenminste 43 weken (4 keer een groeicyclus van tenminste 10 weken en 3 keer een tussenperiode van 1 week) in bedrijf was geweest. Vervolgens zijn appellante en haar ex-echtgenoot T. [ex-echtgenoot] ([ex-echtgenoot]) door de politie gehoord.

Op basis van deze onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 6 juni 2005 de bijstand van appellante over de periode van 1 mei 2004 tot 1 februari 2005 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van de over deze periode verleende bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 9.509,74. Tevens heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 februari 2005 beëindigd (lees: ingetrokken).

Bij besluit van 13 september 2005 heeft het College het bezwaar tegen besluit van 6 juni 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

13 september 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Uit vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 6 februari 2007, LJN AZ8720, - vloeit voort dat de beoordeling door de bestuursrechter van de intrekking zich in het onderhavige geval uitstrekt over de periode van 1 mei 2004 tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit 6 juni 2005. De Raad ziet daarbij aanleiding om een onderscheid te maken naar de periode voor en die vanaf 21 maart 2005, de datum van de inval door de politie.

De intrekking over de periode tot 21 maart 2005

Vaststaat dat de politie op 21 maart 2005 in de schuur achter de woning van appellante een niet meer in werking zijnde hennepkwekerij heeft aangetroffen. Gelet op de omvang van die kwekerij en de aangetroffen apparatuur is de Raad van oordeel dat sprake is geweest van een professionele kwekerij.

Appellante heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het de regiopolitie niet was toegestaan om het College in kennis te stellen van de bij haar aangetroffen hennepkwekerij, zodat sprake is van ten onrechte verkregen bewijs. Hierbij heeft zij erop gewezen dat de korpsbeheerder van de politieregio in artikel 64 van de WWB niet is genoemd als instantie met een inlichtingenverplichting. De Raad volgt appellante reeds niet in deze stelling omdat de kwekerij blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende processen-verbaal bij een gezamenlijk optreden van de regiopolitie Utrecht en de sociale recherche van de gemeente Zeist is aangetroffen. Voorts sluit artikel 64 van de WWB niet uit dat het College gebruik maakt van gegevens van andere instanties dan de aldaar genoemde. In dat artikel is vastgelegd welke instanties verplicht zijn desgevraagd en kosteloos aan het College inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de uitvoering van de WWB. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 3 januari 2006, LJN AU9232, - is er eerst sprake van een beletsel indien is gebleken dat de bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zondanig indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Niet gebleken is dat in deze zaak sprake is van een dergelijke situatie. Deze grief kan dus niet slagen.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat [ex-echtgenoot] - van wie zij reeds ten tijde in geding gescheiden leefde - buiten haar weten om in haar schuur een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd, zodat geen sprake kan zijn van schending van de inlichtingenverplichting. De Raad volgt appellante niet in deze stelling. Zoals de Raad reeds heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 19 juli 2005, LJN AU0655, kan appellante die de zeggenschap had over de schuur - in het kader van de toepassing van de WWB - verantwoordelijk worden gesteld voor het gebruik dat ervan werd gemaakt. Zij had daarop - gezien haar zeggenschap - toezicht kunnen houden. Haar betrokkenheid bij de in de schuur aangetroffen kwekerij is hiermee voldoende aangetoond. Ook deze grief treft geen doel.

Appellante heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het in artikel 160, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verschoningsrecht eraan in de weg stond om mededeling te doen van de kwekerij nadat zij van het bestaan hiervan op de hoogte was geraakt. Ook deze grief treft geen doel. Het verschoningsrecht is niet van toepassing bij de toepassing van de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting.

Appellante heeft tot slot weersproken dat de kwekerij voorafgaand aan de ontmanteling op 21 maart 2005 tenminste 43 weken in werking is geweest. Zij heeft in dit verband gewezen op de verklaring van [ex-echtgenoot] dat hij de plantage slechts van september 2004 en tot en met oktober 2004 heeft geëxploiteerd. De Raad stelt vast dat die stelling onvoldoende steun vindt in de beschikbare stukken. Appellante heeft immers geen concrete verifieerbare gegevens willen verstrekken over de herkomst van de gebruikte apparatuur, het tijdstip waarop deze is aangeschaft en de kosten daarvan, de (aanvang van de) exploitatie van de kwekerij, de productie en de afzet. Evenmin heeft appellante hiervan enige vorm van administratie bijgehouden. Appellante heeft derhalve met betrekking tot het kunnen vaststellen van de periode waarin sprake was van een kwekerij een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen voor haar rekening dienen te blijven. Het College is naar het oordeel van de Raad niet buiten de grenzen van de zorgvuldigheid getreden door, mede rekening houdend met voorbereidingsperiodes, wat de exploitatie betreft uit te gaan van de periode van 1 mei 2004 tot 21 maart 2005 overeenkomstig het rapport van Eneco. De Raad deelt niet de - overigens niet onderbouwde - stellingen dat dit rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de betreffende medewerker van Eneco onvoldoende deskundig zou zijn. Tot slot acht de Raad van belang dat op 21 maart 2005 nog sprake was van een henneplucht en dat op die datum restanten van hennepplanten zijn aangetroffen. Daardoor acht de Raad voldoende aannemelijk dat de kwekerij tot kort voor die datum nog in werking was.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft het College zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat appellante door de exploitatie van de kwekerij, hetgeen onmiskenbaar van belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand, niet te melden de inlichtingenverplichting heeft geschonden, en dat als gevolg hiervan het recht op bijstand over de periode van 1 mei 2004 tot 21 maart 2005 niet kan worden vastgesteld.

In het voorgaande ligt besloten dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode van 1 mei 2004 tot 21 maart 2005. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van intrekking had moeten afzien.

Met hetgeen hiervoor is overwogen is gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de kosten van de over de periode van over de periode van 1 mei 2004 tot 1 februari 2005 aan appellante verleende bijstand. Ook ter zake van de terugvordering heeft het College in overeenstemming met het door hem gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte, beleid, besloten.

In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

De intrekking over de periode vanaf 21 maart 2005

De Raad stelt vast dat uit de gedingstukken niet valt af te leiden dat er vanaf 21 maart 2005 nog sprake was van een door appellante verzwegen kwekerij. De kwekerij was immers op 21 maart 2005 ontmanteld. Het Dagelijks bestuur heeft ter zitting van de Raad desgevraagd naar voren gebracht niet over gegevens te beschikken die erop wijzen dat de kwekerij opnieuw in werking was. Dit betekent dat de intrekking vanaf 21 maart 2005 niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet derhalve worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 13 september 2005 vernietigen, voor zover de bijstand van appellante vanaf 21 maart 2005 is ingetrokken. Tevens zal de Raad, zelf voorziend, het besluit van 6 juni 2005 in zoverre herroepen.

Slotoverweging

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het Dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van verleende rechtsbijstand van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 13 september 2005, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van bijstand vanaf 21 maart 2005;

Herroept het besluit van 6 juni 2005, voor zover de bijstand van appellante vanaf 21 maart 2005 is ingetrokken;

Veroordeelt het Dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug;

Bepaalt dat de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

IJ160108