Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7446

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
06/6433 WAO, 06/6434 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling gedifferentieerde premie. Had het Uwv de uitkomst van de procedure over het werkgeverschap behoren af te wachten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6433 WAO

06/6434 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de vennootschap onder firma [naam firma], handelend onder de naam [naam salon] gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 26 september 2006, 06/123 en 05/1339 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is mr. R.J. de Boer, advocaat te Coevorden, in hoger beroep gekomen.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2008. Voor het Uwv is verschenen mr. R.S. Rabarison, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Appellante heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 19 april 2005 heeft het Uwv appellante aangemerkt als werkgever, ter bevestiging waarvan het Uwv bij dit besluit appellante een polis werknemersverzekeringen heeft doen toekomen.

Bij besluit van 21 april 2005 heeft het Uwv de voor appellante voor het jaar 2005 geldende gedifferentieerde premie vastgesteld op 1,96%.

Bij besluit van 25 april 2005 heeft het Uwv de voor appellante voor het jaar 2004 geldende gedifferentieerde premie vastgesteld op 2,56%.

Tegen deze besluiten heeft appellante bezwaarschriften ingediend.

Bij besluiten van 5 september 2005 en 8 december 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 21 april 2005 en 25 april 2005 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 september 2006 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 19 april 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de besluiten van 5 september 2005 en 8 december 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft overwogen dat zij met het Uwv van oordeel is dat het besluit inzake het werkgeverschap van appellante tot gevolg heeft gehad dat het Uwv de voor appelante geldende gedifferentieerde premie moest vaststellen. Indien het besluit over het werkgeverschap geen stand houdt, heeft dat gevolgen voor de premiebesluiten.

De opvatting van appellante dat het Uwv de uitkomst van de procedure over het werkgeverschap had behoren af te wachten, heeft de rechtbank niet gedeeld. Naar haar oordeel is er geen (wettelijke) regel die voorschrijft dat een besluit omtrent de gedifferentieerde premie eerst mag worden genomen als het werkgeverschap in rechte vaststaat. Nu de beroepsgronden van appellante zich uitsluitend richtten tegen het werkgeverschap en niet tegen de hoogte van vastgestelde gedifferentieerde premiepercentages, heeft de rechtbank - ook ambtshalve oordelend - geen grond aanwezig geacht de besluiten van 5 september 2005 en 8 december 2005 voor onrechtmatig te houden.

Appellante heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraken. Ook in hoger beroep heeft zij bestreden dat zij werkgever is.

Bij uitspraak van 22 oktober 2007 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 22 september 2006 ongegrond verklaard.

Ook van deze uitspraak is appellante in hoger beroep gekomen. Zij heeft evenwel het hoger beroep nadien ingetrokken.

Gelet op dit laatste moet naar het oordeel van de Raad in de onderwerpelijke gedingen het werkgeverschap van appelante als een in rechte vaststaand gegeven worden beschouwd. Maar ook los hiervan is de Raad van oordeel dat de rechtbank terecht de argumenten van appellante tegen haar werkgeverschap buiten beschouwing heeft gelaten. Gelet op zijn besluit van 19 april 2005 mocht het Uwv bij zijn premiebesluiten het werkgeverschap van appellante als uitgangspunt nemen. In deze besluiten ligt geen (nieuwe) beoordeling van het werkgeverschap van appellante besloten. Indien in rechte zou komen vast te staan dat appellante geen werkgever is, zou daarmee de grondslag aan de premiebesluiten zijn komen te ontvallen.

Ook de Raad heeft in hetgeen appelante in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de besluiten van 5 september 2005 en 8 december 2005 voor onrechtmatig moeten worden gehouden.

De Raad komt derhalve tot de slotsom dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008.