Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7398

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
21-03-2008
Zaaknummer
06-3775 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is aanvraag voor tillift terecht afgewezen. Had toepassing moeten worden gegeven aan de hardheidsclausule?

Wetsverwijzingen
Wet voorzieningen gehandicapten
Wet voorzieningen gehandicapten 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/158
RSV 2008, 166

Uitspraak

06/3775 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 mei 2006, 05/2795 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van Delft, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008. Appellante is verschenen en tevens vertegenwoordigd door [naam vader], haar vader, en bijgestaan door mr. Van Delft. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.F. Widdershoven, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit van 9 oktober 1997 heeft het College op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wvg een tillift in bruikleen aan appellant verstrekt. Met behulp van deze tillift is appellante in staat transfers te maken vanuit haar rolstoel naar een bed, teneinde zich te kunnen verschonen. Appellante is rolstoelafhankelijk en volledig verzorgingsbehoeftig. Zij is volledig incontinent. Appellante kan geen gebruik maken van een toilet. De tillift is onder meer noodzakelijk voor haar verschoning op meerdere momenten per dag.

1.3. Namens appellante, op dat moment verblijvende in een op grond van artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) toegelaten instelling, is ingevolge de Verordening subsidie logeeradres gehandicapten 2000 een subsidieaanvraag gedaan in de vorm van een financiële bijdrage in het logeerbaar maken van de ouderlijke woning van appellante.

1.4. Bij besluit van 7 mei 2002 heeft het College een financiële bijdrage van

€ 4.537,80 aan appellante toegekend in de kosten van het logeerbaar maken van de ouderlijke woning van appellante. Tevens is deze financiële bijdrage bedoeld voor de aanschaf van een tilband, een douchestoel en een douchestretcher.

1.5. Namens appellante zijn op 24 januari 2005 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) voorzieningen aangevraagd in de vorm van - onder andere - een tillift. De eerder verstrekte tillift is te klein geworden voor appellante en bovendien heeft de leverancier van de tillift meegedeeld dat de tillift technisch moet worden afgekeurd.

1.6. Bij besluit van 24 maart 2005 heeft het College de aanvraag van appellante van

24 januari 2005 afgewezen.

1.7. Bij besluit van 25 juli 2005 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 maart 2005 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat het plaatsen van een tillift in het kader van het bezoekbaar maken van een woning niet valt onder het begrip bereikbaar maken als bedoeld in artikel 2.6, zesde lid, van de Verordening voorzieningen gehandicapten (hierna: Vvg).

1.8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

25 juli 2005 ongegrond verklaard.

1.9. Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Hierbij is onder meer aangevoerd dat appellante in elk geval met toepassing van de hardheidsclausule, zoals neergelegd in artikel 7.1 van de Vvg, in aanmerking komt voor verstrekking van een tillift.

2.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.2. Ingevolge artikel 2.6, eerste lid, van de Vvg verlenen burgemeesters en wethouders slechts een financiële tegemoetkoming in de gemaakte kosten indien de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.

2.3. Ingevolge artikel 2.6, tweede lid, van de Vvg kan in afwijking van het gestelde in het eerste lid een financiële tegemoetkoming worden verleend in de kosten van het aanpassen van één woonruimte indien de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.

2.4. Ingevolge artikel 2.6, vijfde lid, van de Vvg betreft de financiële tegemoetkoming slechts een tegemoetkoming in de kosten van het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte.

2.5. Ingevolge artikel 2.6, zesde lid, van de Vvg wordt onder het in het vijfde lid genoemde bezoekbaar maken van een woonruimte verstaan dat de gehandicapte de woonruimte, de woonkamer en één toilet kan bereiken.

2.6. Ingevolge artikel 2.6, zevende lid, van de Vvg kan, indien een toiletruimte bezoekbaar wordt gemaakt in de zin van het vijfde lid, ook één toilet aangepast worden, mits hiervoor een medische indicatie bestaat.

2.7. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante enkel met behulp van de tillift in staat is zich te verschonen en dat de tillift van wezenlijk belang is om voor appellante het bezoeken van de ouderlijke woning mogelijk te maken.

2.8. Zoals volgt uit de uitspraak van de Raad van 19 maart 1999 (LJN: ZB8168) is de Raad van oordeel dat de regeling betreffende het bezoekbaar maken van de woning een uitzonderingskarakter heeft, welke betrekking heeft op de krachtens artikel 2, tweede lid, van de Wvg van de zorgplicht van die wet uitgezonderde categorie, en waarvan de werkingssfeer bovendien nog wordt beperkt tot de (in het zesde lid van artikel 2.6 Vvg) limitatief opgesomde objecten van woningaanpassing. De aard en opzet van deze verordeningsbepaling rechtvaardigen dan ook een strikte toepassing daarvan door het gemeentebestuur. Aangezien de gevraagde voorziening niet ziet op het bereikbaar maken van een woonruimte, een woonkamer of een toilet, leidt de toepassing van artikel 2.6 van de Vvg tot afwijzing van de aanvraag van een tillift.

2.9. De grief dat het College ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de in artikel 7.1 van de Vvg neergelegde hardheidsclausule treft echter wel doel. De Raad is - anders dan in zijn uitspraak van 19 maart 1999 - van oordeel dat het College in de bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding had moeten vinden om ten gunste van appellante af te wijken van de overige bepalingen van de Vvg. De Raad acht deze omstandigheden gelegen in het feit dat het College aan appellante ingevolge de Verordening subsidie logeeradres gehandicapten 2000 een financiële bijdrage in de kosten van een aantal voorzieningen heeft toegekend, welke voorzieningen het voor appellante mogelijk maakten haar ouderlijke woning te bezoeken. Deze voorzieningen hebben geen nut meer, indien appellante door het ontbreken van een tillift (die onder meer is benodigd bij het verschonen na onlasting en urinelozing) haar ouderlijke woning niet meer kan bezoeken. Daarbij acht de Raad tevens van belang dat artikel 2.6, zevende lid, van de Vvg niet alleen strekt tot het bereikbaar zijn van de toilet, maar ook tot het gebruik van de toilet (door middel van aanpassing van één toilet).

3. Hiermee is gegeven dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep gegrond dient te worden verklaard en het besluit van 25 juli 2005 dient te worden vernietigd. Het College zal een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het College op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op

€ 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 25 juli 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Nijmegen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Nijmegen aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008.

(get.) R.M. van Male.

(get.) R.L. Rijnen.

RB1003