Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7332

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06-3888 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Geschikt voor in kader WAO geduide functies. "Zijn arbeid".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3888 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 juni 2006, 05/1852 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2008.

Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, die werkzaam is geweest als inpakster en produktiemedewerkster, is in mei 2003 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet als gevolg van klachten van de rechterarm arbeidsongeschikt geworden. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken, die op 19 mei 2004 was verstreken, is aan appellante geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, omdat zij in gangbare functies nog een zodanig inkomen kon verdienen dat zij niet arbeidsongeschikt werd geacht.

Appellante heeft zich op 8 februari 2005, toen zij een werkloosheidsuitkering ontving, weer ziek gemeld wegens rechteramklachten, heupklachten en psychische klachten.

Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd appellante met ingang van 26 juli 2005 niet meer ongeschikt geacht voor de in het verleden geduide functies. Bij besluit van

26 juli 2005 is aan appellante dienovereenkomstig met ingang van deze datum geen ziekengeld meer toegekend.

Bij besluit van 11 oktober 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen voormeld besluit van 26 juli 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts.

De Raad heeft het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde – voorzover hier van belang – bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige inzoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximum-termijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO.

Het vorenstaande betekent dat terzake van het ziektegeval van 8 februari 2005 als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor appellante in het kader van de WAO in 2004 als geschikt werden aangemerkt. Nu evenvermelde concretisering in het kader van de WAO betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW, te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.

De Raad heeft voor zijn oordeelsvorming met name betekenis toegekend aan het door de bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen op 13 september 2005 uitgebrachte rapport. Deze arts heeft kennis genomen van de in het dossier aanwezige medische gegevens, waaronder informatie van de behandelend sector. Het beeld dat oprees uit de reeds bekende medische gegevens, zag de bezwaarverzekeringsarts bevestigd door de nader door de huisarts verstrekte informatie. Uit de brief van de huisarts van

16 september 2005 bleek dat deze de somatische klachten van appellante te weinig specifiek vond voor een harde diagnose en dat de klachten van appellante als onbehandelbaar werden beschouwd. Gegeven deze informatie concludeerde de bezwaarverzekeringsarts dat hier sprake was van een stabiel beeld met grotendeels onverklaarbare psychische klachten, naast depressieve episodes afgewisseld door dysthymie, waarmee bij de beoordeling in het kader van de WAO in 2004 al rekening was gehouden. Met het vrijwel identieke beeld werd appellante onverminderd belastbaar geacht volgens de in het verleden vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst.

De Raad acht de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts verantwoord en ziet in hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd geen reden om deze niet te onderschrijven. De in hoger beroep nog overgelegde brief (met bijlage) van de huisarts van appellante bevat geen gegevens die erop wijzen dat de bezwaarverzekeringsarts de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding onjuist heeft beoordeeld. De Raad merkt nog op dat appellante in juli 2005 door de primaire verzekeringsarts is gezien en in september 2005 door de bezwaarverzekeringsarts, zodat niet valt in te zien dat het bestreden besluit is gebaseerd op verouderde medische gegevens. In aanmerking genomen dat vorenbedoelde functies in 2004 als geschikt voor appellante zijn aangemerkt en haar medische toestand ten tijde in geding niet wezenlijk anders was, kan ook de grief van appellante inzake de belasting in de functies niet slagen. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat een arbeidskundige beoordeling als door appellante bepleit in het kader van een ZW-geding als hier aan de orde niet vereist is. Zoals uit het eerder overwogene blijkt is van de zijde van het Uwv de juiste maatstaf voor de arbeid aangelegd.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008.

(get.) Ch van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.