Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06-871 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatman en dagloon WAO-uitkering juist vastgesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/871 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 29 december 2005, 03/1421 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich met kennisgeving niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en het Uwv als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:

“Eiser, geboren op 18 mei 1956, is in 1981 als fulltime [functie 1] in dienst getreden bij de Belastingdienst te Apeldoorn. In verband met de ontwikkeling van een visuele handicap is eiser omgeschoold tot personeelsmedewerker bij de Belastingdienst.

Op 1 januari 1990 is eiser voor 20 uren per week als [functie 2], en vervolgens als [functie 3], in dienst getreden bij de gemeente [gemeente]. Daarbij vulde de Belastingdienst eisers loon aan tot 100%. Op 1 januari 1993 is eisers dienstverband bij de Belastingdienst beëindigd.

Bij besluit van 10 januari 1994 heeft het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds aan eiser medegedeeld dat uit een geneeskundig onderzoek in de zin van artikel P1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet is gebleken dat eiser niet uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is te achten voor zijn (voormalige) betrekking van [functie 4] bij de Belastingdienst te Apeldoorn. Bij beslissing op bezwaar van 2 mei 1995 is de beslissing van 10 januari 1994 gehandhaafd, waarbij is aangegeven dat 1 januari 1993, zijnde einde dienstverband bij de Belastingdienst, als beoordelingsdatum geldt. Het beroep dat eiser tegen die beslissing heeft ingesteld, is bij uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 november 1995 ongegrond verkaard.

Op 17 augustus 2001 heeft eiser een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. Bij besluit van 15 oktober 2002 heeft verweerder aan eiser na ommekomst van de in aanmerking te nemen wachttijd, per 15 november 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het bezwaar dat eiser heeft gemaakt tegen de bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in aanmerking genomen maatmanarbeid en de vaststelling van het dagloon, is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.”

De Raad voegt daaraan nog het volgende toe. Aan evenvermelde toekenning aan appellant van een volledige uitkering ingevolge de WAO bij besluit van 15 oktober 2002, zoals in bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 25 september 2003, liggen spanningsklachten en klachten van burnout ten grondslag. Appellant heeft deze klachten ontwikkeld doordat hij, om zijn baan van halve dagen bij de gemeente [gemeente] op behoorlijke wijze te kunnen vervullen, vanwege zijn visuele handicap aanzienlijk meer tijd nodig bleek te hebben dan 20 uur per week.

De bezwaren van appellant tegen het bestreden besluit komen erop neer dat hij alsnog een compensatie wenst voor het feit dat hij als gevolg van zijn visusklachten niet langer in staat is tot het verrichten van arbeid in een voltijdse omvang, zoals hij dat destijds bij de Belastingdienst deed. Hij bepleit daartoe dat, nu hij bij het ontstaan van zijn visusklachten voltijds werkzaam was, de hem bij het bestreden besluit toegekende volledige WAO-uitkering ook wordt gebaseerd op een voltijdse maatgevende omvang, in plaats van de thans tot uitgangspunt genomen maatgevende omvang van 20 uur per week. In lijn hiermee wenst appellant tevens dat aan zijn uitkering een dagloon ten grondslag wordt gelegd dat eveneens is gebaseerd op het loon behorende bij een voltijdse functie.

In navolging van de rechtbank en met overneming van de door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde overwegingen, is de Raad van oordeel dat de grieven van appellant niet slagen.

Hetgeen appellant bepleit komt in feite erop neer dat de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid alsnog wordt bepaald op het tijdstip waarop hij in 1982 tijdens zijn dienstverband met de Belastingdienst voor het eerst werd geconfronteerd met zijn visusproblemen. Daarmee verzoekt hij in wezen om herziening van het eerder genoemde besluit van 10 januari 1994, waarbij het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds heeft beslist dat appellant op en na 1 januari 1993 niet uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is te achten voor zijn (voormalige) betrekking van [functie 4] bij de Belastingdienst.

Een beoordeling van een zodanig verzoek valt evenwel buiten de omvang van het onderhavige geding, nu het bestreden besluit uitsluitend een beslissing bevat op het verzoek van appellant tot toekenning van uitkering in verband met de in november 2000 tijdens zijn werkzaamheden bij de gemeente [gemeente] wegens burnoutklachten ingetreden arbeidsongeschiktheid, en niet - tevens - een beslissing omtrent enig verzoek tot herziening van eerdere besluiten.

Voorts heeft appellant, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, op zich geen zelfstandig belang bij een oordeel over de juistheid van de in aanmerking genomen maatmanarbeid en/of de omvang daarvan, nu hij bij het bestreden besluit immers reeds - per 15 november 2001 - een uitkering toegekend heeft gekregen naar de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse en hij bij een eventuele herziening van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per een latere datum de daarbij gehanteerde maatmanfunctie, inclusief de omvang daarvan, opnieuw aan de orde kan stellen.

Niettemin wil de Raad, mede gelet op de inhoudelijke samenhang van die grief met de op zich hier wel ter beoordeling staande grief inzake het dagloon, niet nalaten nog het volgende te overwegen.

De van toepassing zijnde wettelijke regels laten geen ruimte om mee te kunnen gaan met de opvatting van appellant dat zijn uitkering dient te worden gebaseerd op een voltijdse maatmanfunctie. Datzelfde geldt voor de grief inzake het dagloon. Appellant, die op dat moment nog een volledig dienstverband had bij de Belastingdienst, is per

1 januari 1990 in deeltijd gaan werken bij de gemeente [gemeente], in een omvang van 20 uur per week. Ook nadat per 1 januari 1993 het dienstverband met en daarmede de aanvulling op zijn loon tot 100% vanwege de Belastingdienst was beëindigd, is hij gedurende een reeks van jaren uitsluitend in die omvang van 20 uur per week bij de gemeente [gemeente] blijven werken.

Mede in het licht van het nadien in bezwaar en beroep in stand gebleven besluit van

10 januari 1994 van het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds waarbij appellant op en na 1 januari 1993 niet uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is geacht voor zijn (voormalige) betrekking van [functie 4] bij de Belastingdienst - van welk besluit de juistheid in deze procedure niet ter beoordeling staat - valt niet in te zien dat de voorafgaande aan zijn uitval in november 2000 laatstelijk door appellant bij de gemeente [gemeente] uitgeoefende functie bij de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid niet terecht als voor appellant maatgevend is aangemerkt of bij de vaststelling van het dagloon als het door hem gewoonlijk uitgeoefende beroep.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er is bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van

W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.