Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7322

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
06-3561 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld omdat betrokkene niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van de geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3561 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2006, 05/5280 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.J. van de Griend, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2008.

Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 24 december 2001 wegens hoofdpijnklachten uitgevallen voor haar werk als verkoopster voor 20 ¾ uur per week. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken is aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 31 december 2003 herzien. Aanvankelijk is de arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum vastgesteld naar een mate van 15 tot 25%, maar na een arbeidskundige herbeoordeling in bezwaar is de uitkering op loonkundige gronden alsnog berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

55 tot 65%.

Appellante heeft zich op 8 maart 2004 opnieuw ziek gemeld.

Bij besluit van 21 juli 2005 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 12 juli 2005 geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van de geduide functies.

Bij besluit van 22 september 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 juli 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad heeft het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige inzoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximum-termijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO.

Het vorenstaande betekent dat terzake van het ziektegeval van 8 maart 2004 als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor appellante in het kader van WAO als geschikt werden aangemerkt. Nu evenvermelde concretisering in het kader van de de WAO betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW, te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.

Terzake van het onderhavige ziektegeval is appellante op 30 juni 2005 en op 12 juli 2005 op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts. Uit het Afschrift Medische Kaart blijkt dat appellante zich per 8 maart 2004 had ziek gemeld met dezelfde klachten als voorheen. De verzekeringsarts heeft mede op grond van beschikbare informatie van de behandelend neuroloog vastgesteld dat bij appellante sprake was van een somatoforme stoornis, die haar niet belette de in het kader van de WAO geselecteerde functies te vervullen. De verzekeringsarts achtte appellante vanaf de ziekmelding niet ongeschikt voor deze functies, maar heeft op grond van zorgvuldigheidsoverwegingen haar eerst per 12 juli 2005 hersteld verklaard.

In de bezwaarfase is appellante gezien door bezwaarverzekeringsarts J. Weegink, die met name aandacht heeft besteed aan de alcoholproblematiek van appellante, zoals vermeld in een verklaring van 14 september 2005 van Bouman GGZ te Rotterdam. Gelet op deze informatie, alle onderzoeksbevindingen en de reeds bekende whiplashklachten van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts geen reden gezien om te twijfelen aan de conclusie van de primaire verzekeringsarts.

Het rapport van 16 september 2005 van voornoemde bezwaarverzekeringsarts geeft naar het oordeel van de Raad blijk van een zorgvuldig onderzoek. De van de zijde van appellante in hoger beroep opnieuw benadrukte alcoholproblematiek is daarbij expliciet aan de orde geweest, zodat de Raad in de ter zake aangevoerde grief geen reden ziet om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken. Dat appellante bij spanningen is gaan drinken neemt niet weg dat zij ten tijde in geding in staat moest worden geacht vorenbedoelde functies, waarbij van oplopende spanningen geen sprake was, te vervullen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008.

(get.) Ch van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

HS