Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7316

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06-2850 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Besluit vòòr 1-7-05. Eerst in hoger beroep afdoende toelichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2850 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 7 april 2006, 05/723 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2008.

Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 26 juni 2000 als gevolg van spanningsklachten en nek- en hoofdpijn uitgevallen voor haar werk in een plantenkwekerij voor 34 uur per week. Met ingang van 25 juni 2001 is aan appellante in aansluiting op de wachttijd van 52 weken een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij een verzekeringsgeneeskundig onderzoek in november 2004 is vastgesteld dat appellante in verband met haar spanningsklachten op het psychische vlak beperkingen had en tevens lichamelijk was beperkt ten aanzien van belasting van de rechter knie en extreme belasting van de linker schouder. De verzekeringsarts heeft de beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Met inachtneming hiervan heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd waarmee appellante een zodanig inkomen kon verdienen dat zij niet langer arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO.

Bij besluit van 24 december 2004 is de uitkering ingevolge de WAO dienovereenkomstig met ingang van 28 februari 2005 ingetrokken.

Naar aanleiding van het bezwaar tegen voormeld besluit heeft bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan op 23 mei 2005 een rapport opgesteld. Kleinjan heeft op basis van de beschikbare medische gegevens, waaronder informatie van de behandelend sector, vastgesteld dat de primaire verzekeringsarts in ruime mate rekening had gehouden met de geobjectiveerde medische klachten. In reactie op het aangevoerde bezwaar is expliciet nog vermeld dat appellante wel beperkt is geacht voor herrie en hectiek om zich heen, maar dat de geaccepteerde functies, ook al worden deze uitgevoerd in hallen, rustig werk betreffen in een vrij rustige omgeving, waarbij geen sprake is van herrie en hectiek. Daarbij is opgemerkt dat er bij appellante geen aanwijzingen waren voor agorafobie, hetgeen een beperking voor grote ruimtes zou meebrengen. Een bezwaararbeids-deskundige heeft vervolgens nader gerapporteerd over de geselecteerde functies die allen voor appellante geschikt werden geacht.

Bij besluit van 2 juni 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van

24 december 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen grond om te oordelen dat het Uwv niet op de rapportages van de betrokken (bezwaar)verzekeringsarts mocht afgaan. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat die rapportages op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen dan wel inhoudelijk niet concludent zijn. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante ter onderbouwing van haar standpunt, dat zij meer beperkt was dan door het Uwv werd aangenomen, geen medische informatie had overgelegd. Gelet op hetgeen daaromtrent in het verzekeringsgeneeskundig rapport van 24 november 2004 was opgemerkt, bestond naar het oordeel van de rechtbank voor het Uwv ook geen noodzaak nog nadere informatie in te winnen bij de behandelend sector.

De Raad ziet in hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep naar voren is gebracht onvoldoende aanleiding om het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit niet te volgen. De Raad is van oordeel dat de beperkingen van appellante na een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. Ook de in hoger beroep nog overgelegde brieven d.d. 13 januari 2006 en

30 augustus 2006 van psychiater S. Gülsaçan, bij wie appellante in januari 2006 in behandeling is gekomen, bevatten geen gegevens die erop wijzen dat de beperkingen van appellante op de datum in geding zijn onderschat. De Raad verwijst in dit verband naar het commentaar van bezwaarverzekeringsarts Kleinjan van 14 september 2006 met daarbij behorende stukken. Daaruit blijkt dat appellante eind juli 2005, derhalve na de hier in geding zijnde datum, wegens een psychotische decompensatie weer arbeidsongeschikt is geacht en dat er geen reden is om ervan uit te gaan dat dit beeld reeds voor de thans in geding zijnde datum heeft bestaan. In aanmerking nemend dat appellante niet eerder een psychotische decompensatie had doorgemaakt en zij bij het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek ook geen klachten had geuit die daarop wezen, kon volgens de bezwaar-verzekeringsarts ook niet worden voorzien dat die toestand zou optreden. In de omstandigheid dat aan appellante met ingang van

26 augustus 2005 na een wachttijd van vier weken een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% ziet de Raad dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de medische onderbouwing ondeugdelijk is.

Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat het Uwv in hoger beroep een uitgebreide toelichting op de functiebelastingen en de mogelijke overschrijdingen daarbij van de belastbaarheid van appellante heeft gegeven. De Raad is van oordeel dat de geschiktheid van de functies thans voldoende vaststaat. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv appellante terecht in staat heeft geacht deze functies te vervullen.

De Raad stelt echter vast dat het bestreden besluit vóór 1 juli 2005 is genomen en dat pas in de hoger beroepsfase uiteindelijk de gewenst geachte arbeidskundige onderbouwing is gegeven. Gelet op het oordeel van de Raad met betrekking tot het CBBS moet dit tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op

€ 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 105,-, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008.

(get.) Ch van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.