Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7298

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
05-3938 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Medische beperkingen onderschat?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3938 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 31 mei 2005, 04/2328 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 augustus 2007 (met bijlage) heeft het Uwv een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.E.F. Bredo, advocaat te Berkel-Enschot. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J.J.C. Röttjers.

Ter zitting is gebleken dat de gemachtigde van appellant het door de Raad gestuurde afschrift van de brief van 29 augustus 2007 niet had ontvangen. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde appellant in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op het – alsnog overhandigde – gedingstuk.

Appellant heeft hiervan gebruik gemaakt met een brief van 3 december 2007, waarna het Uwv hierop heeft gereageerd met een schrijven van 7 december 2007. Partijen hebben vervolgens schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.

II. OVERWEGINGEN

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.

Bij besluit van 29 oktober 2004 (bestreden besluit), heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 26 mei 2004, zoals gewijzigd bij besluit van 14 juli 2004, waarbij de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) met ingang van 1 augustus 2004 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe – kort samengevat – overwogen dat moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld en dat op basis van deze vastgestelde medische beperkingen en de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige de functies van soldering technician, kassamedewerker en stikster/coupeuse terecht aan de schatting ten grondslag zijn gelegd.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Hij vindt het niet redelijk dat het Uwv geen beperkingen heeft aangenomen op het psychische vlak, alleen omdat hij niet onder behandeling was. Verder heeft hij gewezen op mogelijke bijwerkingen van de door hem gebruikte medicatie. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een brief overgelegd van arts-assistent orthopedie A.B. Spoor aan de huisarts d.d. 28 november 2005.

Met betrekking tot de medische component van de schatting overweegt de Raad als volgt.

Op verzoek van de stafverzekeringsarts C.H.C. Lemmers heeft orthopedisch chirurg

D.B. van der Schaaf appellant eind maart 2004 onderzocht en omtrent zijn bevindingen een rapport opgesteld, gedateerd 9 april 2004. Van der Schaaf achtte appellant matig beperkt voor zitten, staan, lopen, trappen lopen, duwen en trekken, tillen en dragen en sterk beperkt voor klimmen en klauteren, knielen, kruipen en hurken, gebogen werken en kortcyclisch buigen en torderen. Lemmers heeft vervolgens in zijn rapportage van

15 april 2004 geconcludeerd dat appellant geschikt is voor rugsparende arbeid met de beperkingen zoals door Van der Schaaf zijn vastgesteld en een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld.

De primair gerezen vraag of de door Van der Schaaf bij appellant aangenomen beperkingen overeenkomen met de in de FML opgenomen beperkingen, beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad is van oordeel dat het Uwv met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz d.d. 28 augustus 2007 afdoende heeft aangetoond dat van een discrepantie tussen de door Van der Schaaf genoemde beperkingen en de in de FML aangenomen beperkingen geen sprake is en dat Lemmers de door Van der Schaaf aangegeven beperkingen bij het verrichten van arbeid correct heeft vertaald in de FML. De Raad kan de analyse van Deitz volgen dat Van der Schaaf bij het formuleren van de voor appellant geldende beperkingen, gelet op de door hem gehanteerde terminologie, niet is uitgegaan van het per datum in geding door het Uwv gehanteerde Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) waarvan de FML onderdeel uitmaakt, maar van het – inmiddels niet meer door het Uwv gehanteerde – belastbaarheidsprofiel behorende bij het Functie Informatie Systeem (FIS), terwijl de gehanteerde waarden op aspecten in de FIS-methodiek en de CBBS-methodiek wezenlijk van elkaar verschillen. Hierdoor was verzekeringsarts Lemmers genoodzaakt de bevindingen van Van der Schaaf te vertalen naar de FML. Deitz heeft per door Van der Schaaf als “sterk beperkt” aangegeven aspect naar het oordeel van de Raad afdoende gemotiveerd dat Lemmers de bevindingen van Van der Schaaf op correcte wijze heeft vertaald naar de FML.

De reactie van appellant op de rapportage van Deitz kan aan bovenstaand oordeel niet afdoen. De Raad overweegt in dit verband dat het juist wél de taak van de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv is om - zo nodig - de bevindingen van een door haar als deskundige ingeschakelde specialist passend te maken met het CBBS-systeem. Nu de Raad het CBBS heeft geaccepteerd als hulpmiddel bij een schatting, kan voorts het argument van appellant dat de CBBS-systematiek niet volledig is (omdat appellant naar zijn mening op onder andere het aspect knielen, kruipen en hurken meer beperkt is dan de meest beperkende score, te weten de score beperkt), niet slagen.

Ook overigens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de voor appellant vastgestelde beperkingen. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde brief van arts-assistent Spoor overweegt de Raad dat hij zich kan verenigen met de reactie van bezwaarverzekeringsarts Deitz daarop, inhoudende dat deze brief geen nieuwe medische feiten bevat en dat de gedocumenteerde gegevens overeenkomen met de bevindingen van Van der Schaaf. Met betrekking tot de door appellant gestelde beperkingen op het psychische vlak is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringarts J.A.F. Leunisse-Walboomers in haar rapportage van 30 september 2004 afdoende heeft gemotiveerd waarom per 1 augustus 2004 in tegenstelling tot de situatie per einde wachttijd geen beperkingen op het persoonlijk en sociaal functioneren zijn aangenomen. Dit ligt – anders dan appellant stelt – niet slechts aan het feit dat hij niet meer onder behandeling is.

Voor wat betreft de mogelijke bijwerkingen van de medicijnen deelt de Raad het oordeel van de rechtbank.

Gelet op het vorenstaande ziet de Raad geen aanleiding om een onafhankelijke medische deskundige in te schakelen.

Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het Uwv met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Hulshof d.d. 27 februari 2005 een afdoende motivering van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft verschaft.

Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op

14 maart 2008.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) M.H.A. Uri.