Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7294

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06-5859 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging vervoersvoorziening. Geen indicatie voor gebruik collectief vervoer. Pijnklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5859 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 augustus 2006, 06/2042 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College).

Datum uitspraak: 19 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 6 februari 2008, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in geding van belang zijnde feiten en de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier, wat de feiten betreft, met het volgende.

1.1. Bij besluit van 19 april 2004 heeft het College aan appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de ten tijde in geding nog van kracht zijnde Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van deelname aan het collectief vervoer.

1.2. Bij besluit van 8 juli 2005 heeft het College besloten tot beëindiging van deze vervoersvoorziening met ingang van 1 augustus 2005.

1.3. Bij besluit van 14 maart 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

8 juli 2005 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante met ingang van die datum gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zodat er geen indicatie is voor voortzetting van het gebruik van het collectief vervoer.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

14 maart 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de zorgvuldig tot stand gekomen en goed onderbouwde rapporten van de Argonaut-arts G. van Bommel van 16 november 2005 en 24 januari 2006 voldoende grondslag bieden voor het besluit van 14 maart 2006.

3. Appellante heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat zij vanwege haar pijnklachten niet kan reizen met het openbaar vervoer. De arts van Argonaut had volgens appellante informatie moeten inwinnen bij haar huisarts. Zij verwijst naar de door haar huisarts verstrekte informatie, die zij in beroep en in hoger beroep heeft overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hetgeen in hoger beroep - deels bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - is aangevoerd noch anderszins in de voorhanden gegevens heeft de Raad aanknopingspunten gevonden om in een andere zin dan de rechtbank te oordelen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en voegt daar het volgende aan toe.

4.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a en d, van de Wvg en artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder b, Vo kan een vervoersvoorziening worden toegekend, indien er sprake is van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek die belemmeringen geven bij het zich verplaatsen en een vervoersvoorziening ter vermindering of opheffing daarvan langdurig noodzakelijk is. Bij uitspraak van 3 april 1998 (LJN: AA8678) heeft de Raad overwogen dat de in het kader van de Ziektewet en andere arbeidsongeschiktheidswetten ontwikkelde rechtspraak met betrekking tot het objectiveringsvereiste van medische klachten ook van toepassing is op de bij en krachtens de Wvg genomen besluiten. Derhalve moet er op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten sprake zijn van beperkingen die een voorziening, die gericht is op het opheffen of verminderen van die beperkingen, langdurig aangewezen doen zijn.

4.3. Aan het besluit van 14 maart 2006 liggen rapporten van de Argonaut-arts G. van Bommel van 16 november 2005 en 24 januari 2006 ten grondslag. Deze arts is, na onderzoek en na verkregen informatie van de orthopedisch chirurg van appellante, tot de conclusie gekomen dat er geen fysieke oorzaak is te duiden voor de door appellante ervaren mate van mobiliteitsbeperking. Bij haar is door twee specialisten een bursitis trochanterica vastgesteld. Deze aandoening geeft volgens Van Bommel geen aanleiding tot blijvende afwijkingen. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank over deze rapporten. Het overzicht van de huisarts van 20 april 2006 geeft geen andere informatie over de oorzaak van de pijnklachten van appellante dan die waarover Van Bommel ten tijde van zijn advisering beschikte. De verklaring van de huisarts van 3 oktober 2006 geeft evenmin duidelijkheid over de oorzaak van de door appellante ervaren pijnklachten. Gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende medische informatie, waaronder ook de brieven van de orthopedisch chirurgen R.J.J. Devilee en J.L.A. Fabry van

10 november 2005 respectievelijk 9 juni 2004, en gegeven de onder 4.2. weergegeven toetsingsmaatstaf, is de Raad van oordeel dat appellante ten tijde in geding, naar objectief medische maatstaf gemeten, in staat moest worden geacht in het kader van haar deelname aan het leven van alledag het openbaar vervoer te bereiken en te gebruiken en daarmee in haar directe omgeving te reizen.

4.4. Uit 4.2. en 4.3. volgt dat aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) R.L. Rijnen.