Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06-4169 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Rechtbank ten onrechte besluit vernietigd zonder in stand lating rechtsgevolgen op grond dat ontbrekende toelichting in beroep is gegeven. Besluiten vòòr en na 1/7/05. Aanpassingen CBBS. Maatman juist?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18, geldigheid: 2008-03-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/113 met annotatie van Red

Uitspraak

06/4169 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 20 juni 2006, 05/1938 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene]

en

appellant.

Datum uitspraak: 7 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn uiteengezet bij een tweetal aanvullende beroepschriften van respectievelijk 15 augustus 2006 en

1 februari 2007. Bij laatstgenoemd beroepschrift was als bijlage gevoegd een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 januari 2007.

Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid om een verweerschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2008. Appellant was vertegenwoordigd door mr. E.M.C. Beijen. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Na wegens rugklachten te zijn uitgevallen voor haar werkzaamheden als inpakster, is betrokkene door appellant met ingang van 3 februari 2000 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 24 maart 2005 heeft appellant die uitkering met ingang van 22 mei 2005 ingetrokken, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene is afgenomen naar minder dan 15%.

Bij besluit van 28 juli 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 maart 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de van de zijde van betrokkene tegen het bestreden besluit aangevoerde bezwaren van medische aard verworpen. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen. Met zowel de rugklachten als de psychische klachten van betrokkene is naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de schatting heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat zij de vraag of de geselecteerde functies terecht geschikt zijn geacht voor betrokkene, zal beantwoorden aan de hand van de beoordelingsmaatstaven zoals aangegeven in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 mei 2006,

LJN AX6258. De rechtbank onderschrijft het gegeven oordeel in die uitspraak en maakt de daarin opgenomen overwegingen tot de hare.

De rechtbank heeft vastgesteld dat bij alle van de bij de onderhavige arbeidsongeschikt-heidsbeoordeling in aanmerking genomen functies sprake is van signaleringen, bestaande uit vermelding van een “M” of een “G”. De vanwege appellant bij de M-signaleringen verstrekte motivering is door de rechtbank juist bevonden. De rechtbank heeft voorts aangegeven dat en waarom in het onderhavige geval aanvaardbaar is te achten dat bij een aantal van de G-signaleringen geen specifieke toelichting is gegeven.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zowel bij de functie parkeercontroleur als bij de functie productiemedewerker industrie sprake is van een G-markering bij het aspect kortcyclisch torderen. Betrokkene is met betrekking tot dit aspect normaal belastbaar geacht. De rechtbank heeft het als niet aanvaardbaar beoordeeld dat hierbij geen toelichting is verstrekt. In dit verband heeft zij erop gewezen dat blijkens de signaleringen bij beide functies - kennelijk - sprake is van een belasting die de normaalwaarden overschrijdt: bij de functie parkeercontroleur wat betreft het aantal graden dat kortcyclisch moet worden getordeerd en bij de functie productiemedewerker industrie wat betreft de frequentie van het kortcyclisch torderen. Mede doordat niet is aangegeven wat bij de normaalwaarde van 45 graden torderen als frequentie wordt gehanteerd, is niet inzichtelijk waarom deze beide functies, ondanks de markeringen, voor betrokkene als geschikt zijn aangemerkt.

Weliswaar heeft appellant hangende de beroepsprocedure een nadere arbeidskundige rapportage overgelegd waarin de markeringen nader worden toegelicht, maar nu dit uiterlijk bij het bestreden besluit had moeten gebeuren, is de rechtbank aan deze rapportage voorbijgegaan. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in dit opzicht is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het beroep van betrokkene is reeds om deze reden gegrond, aldus de rechtbank, zodat de overige grieven van betrokkene geen bespreking meer behoeven.

Appellant heeft in hoger beroep aangegeven dat en waarom hij zich niet ermee kan verenigen dat de rechtbank bij haar oordeelsvorming de alsnog tijdens de procedure in beroep verstrekte motivering van (onder meer) de betreffende G-signaleringen, als vervat in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 maart 2006, buiten aanmerking heeft gelaten. Daarnaast heeft appellant in hoger beroep een nader rapport van de bezwaararbeidsdeskundige ingezonden, gedateerd 29 januari 2007, waarin de

G-signaleringen nader zijn toegelicht.

Ter zitting heeft appellant desgevraagd zijn in het beroepschrift omschreven vordering tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en het alsnog ongegrond verklaren van het inleidende beroep tegen het bestreden besluit in die zin gewijzigd dat appellant de Raad thans verzoekt de aangevallen uitspraak te vernietigen in zoverre de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit niet in stand heeft gelaten, en te bepalen dat die rechtsgevolgen geheel in stand blijven. Appellant heeft daartoe gesteld dat, nu een deugdelijke motivering van de passendheid van de gebruikte functies eerst na het nemen van het bestreden besluit is verstrekt, namelijk in de fase van het beroep en het hoger beroep, de vernietiging door de rechtbank van het bestreden besluit wegens strijd met de in de aangevallen uitspraak genoemde artikelen van de Awb als zodanig juist is te achten.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat, nu slechts appellant hoger beroep heeft ingesteld tegen de overweging van de rechtbank dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb omdat bij een tweetal functies een ontoereikende arbeidskundige toelichting is verstrekt en aan de hangende de beroepsprocedure overgelegde nadere arbeidskundige rapportage dient te worden voorbijgegaan, de vraag voorligt of de Raad zich achter dit oordeel van de rechtbank kan stellen. Bij ontkennende beantwoording van die vraag, dient de Raad vervolgens een oordeel te geven over de in beroep namens betrokkene aangevoerde grieven waaraan de rechtbank, gegeven de door haar gevolgde benadering, niet is toegekomen.

De rechtbank heeft haar keuze om de hangende beroep door appellant verstrekte nadere toelichting op de passendheid van de functies buiten aanmerking te laten, gemotiveerd met een verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, LJN AX6258. In die uitspraak heeft laatstgenoemde rechtbank, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, als haar oordeel uitgesproken dat met de naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) aan het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) aangebrachte aanpassingen, de onvolkomenheden van dat systeem, als door de Raad vastgesteld, weliswaar ten dele zijn opgelost maar dat het aangepaste systeem op een tweetal aspecten nog steeds niet voldoet aan de eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid die blijkens de uitspraken van de Raad daaraan dienen te worden gesteld.

Gelet op die uitspraken van de Raad zal, aldus de rechtbank, in beginsel, indien sprake is van aan een voorliggend schattingsbesluit klevende gebreken die voortvloeien uit bedoelde onvolkomenheden, vernietiging van dat besluit dienen te volgen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Met betrekking tot bestreden besluiten van voor 1 juli 2005 kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten indien die besluiten naderhand alsnog van een deugdelijke motivering worden voorzien, maar voor bestreden besluiten die vanaf 1 juli 2005 worden genomen geldt naar het oordeel van de rechtbank dat uit genoemde uitspraken van de Raad volgt dat in beginsel vernietiging zal plaatsvinden zonder instandlating van de rechtsgevolgen.

De Raad ziet het hoger beroep van appellant doel treffen.

De Raad heeft in zijn uitspraken van 9 november 2004 overwogen dat in reeds lopende zaken waarin zich met betrekking tot het voorliggende bestreden besluit problemen zouden voordoen die voortvloeien uit de door de Raad geconstateerde onvolkomenheden van het CBBS, dat besluit in beginsel om die reden zal moeten worden vernietigd, waarbij geldt dat indien het besluit in de loop van de procedure in beroep of in hoger beroep alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing en/of motivering, aanleiding kan bestaan om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel of gedeeltelijk in stand te laten.

Voorts heeft de Raad overwogen dat zulks voor toekomstige besluiten evenwel anders ligt: de Raad achtte het in de rede te liggen dat het Uwv, teneinde soortgelijke problemen voor de toekomst te voorkomen, na kennis te hebben genomen van het in zijn uitspraken neergelegde oordeel, ervoor kiest om niet te volstaan met het verstrekken van afzonderlijke toelichtingen en motiveringen in zich aandienende individuele gevallen, maar tot een zekere systeemaanpassing over te gaan, teneinde de gesignaleerde onvolkomenheden op een meer gestructureerde wijze op te heffen. Een dergelijke systeemaanpassing werd blijkens het verhandelde ter zitting van de zijde van het Uwv in beginsel ook mogelijk geacht. De Raad heeft overwogen het redelijk te achten voor een dergelijke - ingrijpende - systeemaanpassing een termijn aan het Uwv te gunnen welke niet voor 1 juli 2005 zou eindigen.

Dat betekent, zo heeft de Raad daaraan toegevoegd, dat rekening ermee dient te worden gehouden dat schattingsbesluiten die vanaf 1 juli 2005 worden genomen, indien en voor zover daaraan gebreken kleven die voortvloeien uit de geconstateerde onvolkomenheden van het CBBS, niet langer op vooromschreven wijze zullen kunnen worden gerepareerd door middel van het alsnog verstrekken van een nadere onderbouwing, toelichting en/of motivering. Die besluiten zullen dan in daarvoor in aanmerking komende gevallen worden vernietigd zonder instandlating van de rechtsgevolgen.

De aangekondigde mogelijkheid van vernietiging zonder instandlating van de rechtsgevolgen van schattingsbesluiten die worden genomen vanaf 1 juli 2005, had derhalve - naar ook aldus door appellant is begrepen - uitsluitend betrekking op de situatie waarin appellant ervoor zou kiezen c.q. ervoor zou hebben gekozen niet over te gaan tot structurele aanpassing van het CBBS. Indien in die situatie een vanaf genoemde datum genomen schattingsbesluit niet uiterlijk ten tijde van het nemen daarvan zou zijn voorzien van de noodzakelijke toelichting en motivering, zou niet langer mogen worden gerekend op instandlating van de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit. Aldus diende de aangekondigde vernietiging van besluiten genomen vanaf 1 juli 2005 als een aansporing om appellant te bewegen tot systeemaanpassing.

In zijn - na de aangevallen uitspraak gewezen - uitspraken van 12 oktober 2006

(LJN AY9971, 9973, 9974, 9976 en 9980) heeft de Raad, voor zover hier van belang, blijk gegeven van het oordeel dat met de door appellant na de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 aan het CBBS aangebrachte aanpassingen in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de in die uitspraken verwoorde kritiek van de Raad.

Gegeven deze systeemaanpassing, die voor 1 juli 2005 zijn beslag heeft gekregen, heeft de in de uitspraken van 9 november 2004 aangekondigde vernietiging van op en na

1 juli 2005 genomen schattingsbesluiten zonder de mogelijkheid van instandlating van de rechtsgevolgen, zijn doel en betekenis verloren. Anders dan de rechtbank meent, kan aan de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 dan ook geen grondslag (meer) voor een dergelijke vernietiging worden ontleend.

Ten materiële overweegt de Raad dat de bij de functies voorkomende signaleringen inmiddels alle met de in beroep en hoger beroep ingezonden arbeidskundige rapporten van 10 maart 2006 en 29 januari 2007 afdoende zijn toegelicht. In het bijzonder geldt zulks ook voor de G-signaleringen inzake het aspect kortcyclisch torderen bij de functies parkeercontroleur en productiemedewerker industrie, waarop de rechtbank het oog had, alsmede voor de nog niet eerder toegelichte G-signaleringen bij andere aspecten.

Tot slot overweegt de Raad dat de rechtbank niet is toegekomen aan de grief van betrokkene dat haar maatmanfunctie, wat betreft de omvang daarvan, alsmede haar maatmaninkomen niet juist zijn vastgesteld. Betrokkene heeft die grief niet aan de hand van enig concreet gegeven onderbouwd. De grief bestaat dan ook uitsluitend uit het ongemotiveerd plaatsen van vraagtekens bij de juistheid van de door appellant met betrekking tot maatman en maatmaninkomen in aanmerking genomen uitgangspunten. Nu aan de Raad voorts in de stukken niet is kunnen blijken van enig gegeven dat steun verleent aan deze grief van betrokkene, dient deze te worden verworpen.

Er is niet gebleken van aan de zijde van betrokkene in hoger beroep gevallen proceskosten die voor vergoeding door appellant in aanmerking komen.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtbank appellant heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van haar uitspraak;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.