Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7229

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
07/82 WWB, 07/83 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Overschrijding grens van het vrij te laten vermogen. Schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 122

Uitspraak

07/82 WWB

07/83 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant 1] en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 november 2006, 06/1051 en 06/1052 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nijk. Appellante heeft zich door mr. Nijk laten vertegenwoordigen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.A. van der Brug, werkzaam bij de gemeente Zwolle.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 13 februari 2002 is aan appellanten met ingang van 9 november 2001 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor gehuwden. Het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen is daarbij vastgesteld op € 9.347,86. Het College heeft de aan appellanten verleende bijstand met ingang van

30 januari 2004 wegens het verbreken van de samenleving beëindigd en aan ieder van appellanten afzonderlijk met ingang van die datum bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande toegekend.

Uit een bestandsvergelijking is gebleken dat appellant (in ieder geval in 2003) een bankrekening op zijn naam had die niet bij het College bekend was. Naar aanleiding daarvan heeft de Unit Regionale Sociale Recherche Zwolle e.o. een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 27 juni 2005. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij twee besluiten van 12 juli 2005 de aan appellanten verleende bijstand over de periode van 9 november 2001 tot en met 8 maart 2003 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken en met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 10.914,95 van hen terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten gedurende de betreffende periode, zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt, hebben beschikt over een vermogen boven de voor hen toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen.

Bij besluiten van 22 maart 2006 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 12 juli 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 22 maart 2006 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandsverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.

Artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw bepaalt dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens genoemd in artikel 54 van de Abw. Ten tijde in geding bedroeg deze grens voor gehuwden fl 20.600,--.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen schulden bij de vermogensvaststelling in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving uitsluitend in aanmerking worden genomen indien het feitelijk bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is geworden en tevens komt vast te staan dat aan die schuld een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ten tijde van de aanvang van de bijstand (9 november 2001) beschikte over een bankrekening met een positief saldo van fl 30.027,00 (€ 13.625,66) en dat appellanten - in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet op hen rustende inlichtingenverplichting - daarvan bij het indienen van de aanvraag om bijstand geen melding hebben gemaakt aan het College.

Appellanten hebben aangevoerd dat op dit positieve vermogensbestanddeel drie schulden in mindering hadden moeten worden gebracht, te weten een schuld van fl 6.207,55 aan Ford Credit, een schuld van fl 7.243,5[W.H.] (hierna: [W.H.]) en een schuld van fl 18.347,03 aan de gemeente Meppel. Daardoor is geen sprake van een vermogen boven de vermogensgrens zodat aan de intrekking en de terugvordering van de bijstand de grondslag is komen te ontvallen.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de schuld aan Ford Credit niet bij de vaststelling van het vermogen op 9 november 2001 dient te worden betrokken. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellanten ter onderbouwing van deze schuld slechts een brief van Ford Credit van 18 januari 2001 hebben overgelegd waarin appellant wordt meegedeeld dat het openstaande saldo (inclusief rente) op de overeenkomst per 31 december 2000 fl 6.207,55 bedroeg. Daarmee hebben appellanten echter niet aannemelijk gemaakt dat die schuld op 9 november 2001 nog steeds bestond.

Met betrekking tot de schuld aan [W.H.] blijkt uit de gedingstukken dat op 26 september 2001 aan appellant een bedrag van fl 7.243,50 in rekening is gebracht met het verzoek dit bedrag binnen 8 dagen te betalen. De rechtbank Zwolle heeft bij vonnis van 29 april 2003 met betrekking tot deze schuld appellant veroordeeld aan [W.H.] te betalen een bedrag van € 1.417,48, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

2 juli 2002 tot de dag van algehele voldoening. De Raad is, anders dan de rechtbank en het College, van oordeel dat appellant ten tijde van de aanvang van de bijstand op 9 november 2001 een schuld had aan [W.H.] en dat de omvang van die schuld het equivalent in guldens bedroeg van het door de rechtbank Zwolle bepaalde bedrag van € 1.417,48. De Raad merkt in dat verband op dat het vonnis van de rechtbank Zwolle een rechtsvaststellend karakter heeft, zodat de schuld aan [W.H.], ondanks de hoogte van het aanvankelijk in rekening gebrachte bedrag, geacht moet worden van meet af aan € 1.417,48 te hebben bedragen. Aan dat oordeel staat niet in de weg de omstandigheid dat aan appellant bij besluit van 30 juli 2003 voor deze schuld bijzondere bijstand is verleend.

Anders dan het College is de Raad van oordeel dat de grief van appellanten dat appellant ten tijde hier van belang een schuld had aan de gemeente Meppel van fl 18.347,03 in hoger beroep aan de orde kan komen. Indien, zoals in het onderhavige geval, een belanghebbende een grief tijdig kenbaar maakt aan de Raad en het bestuursorgaan in de gelegenheid is geweest gemotiveerd op die grief te reageren, staat geen geschreven of ongeschreven rechtsregel eraan in de weg deze grief in de beoordeling te betrekken. Niet is gebleken dat appellanten met het aanvoeren van de grief dat bij de vaststelling van het vermogen op 9 november 2001 ten onrechte geen rekening is gehouden met een schuld van appellant aan de gemeente Meppel buiten de grenzen van het geschil zijn getreden of in een eerdere fase van de procedure er welbewust van hebben afgezien dit mogelijk aan de besluiten van 22 maart 2006 klevende gebrek aan de orde te stellen.

Appellanten hebben hun stelling dat appellant ten tijde hier van belang een schuld had aan de gemeente Meppel van fl 18.347,03 onderbouwd met een brief van de Consulent Terugvordering en Verhaal van de Afdeling Sociale Zaken en Arbeidsmarkt van de gemeente Meppel van 15 augustus 2007 waarin vermeld is dat appellant in de debiteurenadministratie van de gemeente Meppel voorkomt en dat het saldo ten laste van appellant medio november 2001 fl 18.347,03 bedroeg. Voorts hebben appellanten een besluit van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel van

6 februari 2003 overgelegd. Bij dat besluit is appellant meegedeeld dat hij over de periode van 1 mei 1983 tot en met 31 oktober 1984 ten onrechte een uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers heeft ontvangen en dat zijn verzoek om kwijtschelding van het saldo van de uitstaande vordering wordt ingewilligd. Gelet op de onderbouwing van de door appellanten ingenomen stelling en in aanmerking genomen dat het College zich niet heeft uitgelaten over de vraag of de door appellanten gestelde schuld voldoet aan de daaraan in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving te stellen eisen, is de Raad van oordeel dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat de door appellanten gestelde schuld van appellant aan de gemeente Meppel bij de vaststelling van het vermogen op 9 november 2001 buiten beschouwing moet blijven.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep en komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen van appellanten gegrond verklaren en de besluiten van 22 maart 2006 vernietigen omdat die besluiten in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op een ondeugdelijke motivering berusten. Het College dient nieuwe besluiten op bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Bij die nieuw te nemen besluiten zal het College opnieuw moeten komen tot een vaststelling van het vermogen van appellanten op 9 november 2001. Bij die vermogensvaststelling dient het College te betrekken dat appellant op die datum een schuld had aan [W.H.] ter hoogte van € 1.417,48. Voorts dient het College te onderzoeken of op genoemde datum de door appellanten gestelde schuld van appellant aan de gemeente Meppel feitelijk bestond en of aan die schuld op dat moment een daadwerkelijke betalingsverplichting was verbonden. Indien dat het geval is, dient het College ook die schuld bij de vaststelling van het vermogen op 9 november 2001 te betrekken. Anders dan het College stelt, staat het kwijtscheldingsbesluit van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel van 6 februari 2003 daaraan niet in de weg. Datzelfde geldt voor de stelling van het College dat de schuld reeds op

9 november 2001 had kunnen zijn kwijtgescholden indien appellant eerder een verzoek om kwijtschelding zou hebben ingediend.

Ten aanzien van de grief van appellante dat in haar geval van terugvordering had moeten worden afgezien omdat zij er geen weet van had dat appellant onjuiste informatie aan het College had verstrekt, merkt de Raad op dat (zoals hij eerder heeft overwogen bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 17 april 2007, LJN BA 2871), geen van beide in de gezinsbijstand begrepen partners zich kan beroepen op de onbekendheid met de handelwijze of de activiteiten van de ander. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen reden om in haar geval anders te oordelen.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 966,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 23,30 in hoger beroep voor reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt de besluiten van 22 maart 2006;

Bepaalt dat het College nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van

€ 1.633,30,-- te betalen door de gemeente Zwolle aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Zwolle aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 181,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.J.A. Kooijman en R. van der Spoel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ