Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
05-6333 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Toegenomen arbeidsongeschiktheid? Medische en arbeidskundige grondslag voldoende? Motivering deugdelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6333 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 september 2005, 04/1381 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H. Knigge, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 11 juli 2006 en 2 oktober 2007 zijn van de zijde van appellant nadere gegevens verstrekt. Het Uwv heeft bij brieven van 24 augustus 2006 en 9 oktober 2007 een nadere verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapportage ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2008. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, werkzaam als zelfstandig agrariër, heeft in oktober 2000 een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend in verband met knieklachten.

De verzekeringsarts heeft op basis van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek de eerste arbeidsongeschiktheidsdag bepaald op 1 oktober 1997 en appellants belastbaarheid vastgesteld in overeenstemming met het Formulier Functie Informatie Systeem va/ad (FIS-formulier) van 5 juni 2000. De arbeidsdeskundige concludeerde op basis van zijn onderzoek en na raadpleging van het FIS-systeem dat appellant niet langer geschikt was voor zijn maatmanfunctie, maar dat er voldoende functies konden worden geduid waarmee appellant een dusdanig inkomen kon verwerven dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 25% bedroeg. In overeenstemming met deze bevindingen heeft de rechtsvoorganger van het Uwv bij besluit van 3 april 2001 aan appellant, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 30 september 1998 een uitkering ingevolge de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ) geweigerd. Het hiertegen gerichte bezwaar werd bij het besluit op bezwaar van 6 november 2001 ongegrond verklaard.

In februari 2004 meldt appellant zich bij het Uwv in verband met toegenomen knieklachten. Op basis van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, als weergegeven in het rapport van 6 april 2004, concludeert de verzekeringsarts van het Uwv dat bij appellant sprake is van toegenomen knieklachten die voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak. De verzekeringsarts stelt op 6 april 2004 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op waarin de mogelijkheden van appellant voor het verrichten van arbeid worden weergegeven. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag wordt, op basis van de aanwezige gegevens en in overleg met appellant, arbitrair vastgesteld op 1 juli 2003.

De voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige is op basis van een arbeidskundig onderzoek van mening dat appellant ongeschikt is voor zijn maatmanfunctie als zelfstandig agrariër. Na raadpleging van het zogenoemde Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) resteren er echter voldoende functies die appellant met inachtneming van zijn beperkingen kan vervullen waarmee hij een zodanig inkomen kan verdienen dat geen sprake is van verlies aan verdiencapaciteit.

Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 6 mei 2004 appellant een uitkering ingevolge de WAZ geweigerd onder overweging dat appellant, na afloop van de wachttijd met ingang van 29 juli 2003 dan wel met ingang van 28 juni 2004 minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt waarbij is aangevoerd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden vastgesteld op 7 oktober 2003 zodat geen sprake is van een zogenoemde Ambersituatie. Voorts betwist appellant dat sprake is van toegenomen klachten voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor appellant eerder met ingang van 30 september 1998 een arbeidsongeschiktheidsuitkering is geweigerd.

De bezwaarverzekeringsarts van het Uwv stelt op basis van haar onderzoek als weergegeven in haar rapport van 16 september 2004 dat er geen aanknopingspunten zijn voor het standpunt dat de door de verzekeringsarts vastgestelde FML onjuist is. De bezwaarverzekeringsarts stelt verder dat de FML ook van toepassing kan worden geacht op 7 oktober 2003, dan wel op 15 januari 2004 - zijnde de datum dat appellant zich gemeld heeft bij zijn particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeraar. Voorts is de bezwaarverzekeringsarts van mening dat appellants mogelijkheden als weergegeven in de FML overeenkomen met de in het FIS van 5 juni 2000 weergegeven belastbaarheid van appellant. De bezwaarverzekeringsarts concludeert dat op en na 1 juli 2003, dan wel 7 oktober 2003, dan wel 15 januari 2004 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak gedurende een periode van 4, dan wel 52, weken aaneengesloten.

Bij besluit van 7 oktober 2004, hierna: het bestreden besluit, verklaart het Uwv het bezwaar ongegrond. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellant niet (toegenomen) arbeidsongeschikt is in het kader van de WAZ, omdat er ingaande de als eerste arbeidsongeschiktheidsdag beschouwde datum 7 oktober 2003 geen sprake is van toegenomen beperkingen.

In beroep wordt namens appellant betoogd dat geen sprake is van een zogenoemde Ambersituatie nu de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is bepaald op 7 oktober 2003. Er dient een nieuwe vaststelling van het maatmaninkomen plaats te vinden op basis van de gegevens over de boekjaren 2000 tot en met 2002. Voorts wordt gesteld dat sprake is van - blijvende - toegenomen medische beperkingen op en na 7 oktober 2003.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond. De rechtbank overweegt hiertoe dat zij, gelet op de voorhanden medische gegevens, geen aanknopingspunten heeft gevonden de bevindingen van de verzekeringsartsen in twijfel te trekken en dat niet is gebleken dat de klachten van appellant zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd. De rechtbank verenigt zich met het standpunt van het Uwv dat erop neer komt dat nu geen wachttijd is gaan lopen er ook geen einde wachttijd bereikt kan zijn.

In hoger beroep heeft appellant opnieuw betoogd dat zijn medische beperkingen zijn toegenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt zijn bij de in rubriek I genoemde brieven nadere medische gegevens uit de behandelende sector overgelegd.

Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordiger van het Uwv aangegeven dat het standpunt van het Uwv zoals weergegeven in het bestreden besluit is verlaten. Het Uwv stelt zich thans op het standpunt dat, uitgaande van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 7 oktober 2003, appellant na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken geschikt is voor de aan hem voorgehouden functies op grond waarvan zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt. Ter onderbouwing van het medische aspect van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling wordt verwezen naar de opgestelde FML van 6 april 2004. Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van de beoordeling verwijst de vertegenwoordiger van het Uwv naar de rapportage van 22 april 2004 van de arbeidsdeskundige van het Uwv en de aan de primaire beoordeling ten grondslag gelegde functies van verkoper groothandel, productiemedewerker textiel (geen kleding) en productiemedewerker industrie. Hij merkt hierbij op dat, nu geen sprake is van een zogenoemde Ambersituatie, appellants maatmanloon opnieuw moet worden vastgesteld. Onder verwijzing naar de berekeningen gemaakt tijdens de zitting bij de rechtbank als opgenomen in het proces verbaal van die zitting, blijft de mate van arbeidsongeschiktheid, uitgaande van appellants inkomen over de boekjaren 2000 tot en met 2002, minder dan 25%. Voorgaande leidt er toe dat aan appellant terecht een WAZ-uitkering is geweigerd aldus het Uwv.

De Raad oordeelt als volgt.

In de eerste plaats stelt de Raad vast dat het Uwv ter zitting heeft aangegeven het standpunt als vervat in het bestreden besluit niet langer te handhaven. Dit leidt ertoe dat het bestreden besluit, nu deze niet is voorzien van een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vernietigd dient te worden, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten.

De Raad zal bij zijn oordeelsvorming over de vraag of hij gebruik dient te maken van de in artikel 8:72, derde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid voorts uitgaan van het door het Uwv ter zitting ingenomen standpunt.

De Raad is van oordeel dat de medische en arbeidskundige grondslag van de in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet in rechte stand kunnen houden. Voor wat betreft de medische grondslag overweegt de Raad dat er geen verzekeringsgeneeskundige rapportage voorhanden is die ziet op de medische situatie van appellant na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 6 oktober 2004. Voorts blijkt uit de in de stukken aanwezige verzekeringsgeneeskundige rapportages evenmin of, en zo ja in hoeverre, de op 6 april 2004 opgestelde FML, die ziet op appellants situatie op 1 juli en 7 oktober 2003, op gelijke wijze van toepassing is op appellants situatie op 6 oktober 2004.

Gelet hierop kan ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, voor zover daarvan al geacht kan worden in verband met de hiervoor vermelde standpuntswijziging van het Uwv nog sprake te zijn, niet worden gehandhaafd.

Het voorgaande leidt er toe dat het hoger beroep slaagt. Het Uwv dient opnieuw op de bezwaren van appellant te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Voorts moet het Uwv, nu appellant op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht heeft het Uwv te veroordelen tot vergoeding van geleden schade, bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar aandacht besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden. Tevens dient het Uwv bij het nemen van het nieuwe besluit aandacht te besteden aan het op grond van artikel 7:15 van de Awb gedane verzoek van appellant om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad ten slotte het volgende.

De Raad ziet aanleiding het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en tot een bedrag van € 322,- voor de kosten in hoger beroep. Derhalve in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Lochs.

CVG