Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7180

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06/4718 WWB, 06/4719 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Hoofdelijke aansprakeljkstelling. Overschrijding vermogensgrens in verband met bezit auto's?

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 34, geldigheid: 2008-03-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 166

Uitspraak

06/4718 WWB

06/4719 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], appellante, en [Appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank van ’s-Gravenhage van 5 juli 2006, 05/4396 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.A. Kazzaz-de Hoog, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2008. Voor appellanten is verschenen mr. Kazzaz-de Hoog. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving met ingang van 7 juni 1999 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), aanvankelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder. Gedurende de periode van 1 september 2003 tot en met 5 oktober 2003 ontvingen appellanten bijstand naar de norm voor gehuwden.

Naar aanleiding van een tip dat appellante werkzaamheden zou verrichten als huishoudelijke hulp en tevens zou beschikken over vermogen in de vorm van een auto heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Zoetermeer een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De resultaten van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 2 februari 2005 de bijstand met ingang van 12 mei 2000 in te trekken en de over de periode van 12 mei 2000 tot en met 5 oktober 2003 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 30.072,59 van appellante terug te vorderen. Appellant is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van het teruggevorderde bedrag over de periode van 1 september 2003 tot en met 5 oktober 2003 tot een bedrag van € 1.562,60. De intrekking berust op de overweging dat appellante, zonder daarvan aan het College melding te maken, beschikte over vermogen dat hoger is dan de voor haar geldende vrijlatingsgrens.

Bij besluit 18 mei 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 mei 2005 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is in geschil of ten tijde hier van belang de in het proces-verbaal van de afdeling Bijzonder Onderzoek van 2 februari 2005 genoemde auto’s tot het vermogen van appellante moeten worden gerekend.

Weliswaar stonden de kentekenbewijzen van de betreffende auto’s niet op naam van appellante geregistreerd, maar de overige beschikbare gegevens bieden naar het oordeel van de Raad voldoende grondslag voor de conclusie dat appellante de beschikkingsmacht over de auto’s had. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante de auto’s heeft aangeschaft en daarbij iedere keer een andere auto heeft ingeruild waarvan het kenteken evenmin op haar naam stond. Voorts acht de Raad van belang dat appellante de verkoper heeft betaald, dat de auto’s aan haar zijn geleverd en dat appellante degene was die gebruik maakte van de auto’s. De Raad volgt appellante niet in de stelling dat de auto’s aan haar vader toebehoorden en dat hij haar de auto’s in gebruik heeft gegeven. De schriftelijke verklaring van de vader maakt dat niet anders nu deze op geen enkele wijze steun vindt in de overige gedingstukken. Gelet op het vorenstaande komt de Raad dan ook tot het oordeel dat het College terecht heeft aangenomen dat de betreffende auto’s tot het vermogen van appellante behoorden. Appellante heeft, in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting, het bezit van de auto’s niet aan het College gemeld.

Rekening houdende met de waarde van de auto’s en de door appellante op de inlichtingenformulieren vermelde negatieve en positieve vermogensbestanddelen in die periode, concludeert de Raad dat het vermogen van appellante in de periode van 12 mei 2000 tot 1 september 2003 ruimschoots de voor haar van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen overschreed.

In het voorgaande ligt besloten dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van bijstand over de periode van 12 mei 2000 tot 1 september 2003.

De Raad stelt vast dat het College overeenkomstig zijn niet onredelijke te achten beleid heeft beslist. In hetgeen appellante heeft aangevoerd zijn naar het oordeel van de Raad geen bijzondere omstandigheden gelegen om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van dat beleid af te wijken.

Met betrekking tot de periode van 1 september 2003 tot en met 5 oktober 2003 komt de Raad tot een ander oordeel. Appellanten ontvingen met ingang van 1 september 2003 bijstand naar de norm voor gehuwden. Appellant is op 17 juni 2003 failliet verklaard. Het faillissement is op 20 januari 2004 opgeheven. Daarmee staat vast dat appellant (ook) in de periode van 1 september 2003 tot en met 5 oktober 2003 in staat van faillissement verkeerde. Gelet daarop, kan het aan het bezit van een auto verbonden vermogen van appellante niet in de weg staan aan verlening van gezinsbijstand aan appellanten over deze periode. Het besluit van 18 mei 2005 berust in zoverre derhalve op een ondeugdelijke grondslag. Nu de schending van de informatieverplichting door appellanten er niet toe heeft geleid dat aan hen over deze periode ten onrechte bijstand is verleend, was het College niet bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over het genoemde tijdvak in te trekken.

Uit het vorenstaande volgt dat de intrekking van de bijstand niet onverkort in stand kan blijven. Dit brengt mee dat ook de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand van appellante tot een bedrag van € 30.072,59 en de medeterugvordering van appellant tot een bedrag van € 1.562,60 geen stand kan houden. Daarbij merkt de Raad wat betreft de terugvordering jegens appellante op dat een terugvorderingsbesluit als één geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in één -daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand. Dit klemt temeer nu een dergelijk besluit een executoriale titel oplevert. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 18 mei 2005 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover daarbij de bijstand over de periode van 1 september 2003 tot en met 5 oktober 2003 is ingetrokken en voor zover daarbij de kosten van bijstand over de periode van 12 mei 2000 tot en met 5 oktober 2003 zijn teruggevorderd. De Raad ziet tevens aanleiding om, met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, het besluit van 2 februari 2005 te herroepen voor zover het betreft de intrekking over de periode 1 september 2003 tot en met 5 oktober 2003 en de medeterugvordering van een bedrag van € 1.562,60 van appellant, nu dit besluit in zoverre eveneens berust op dezelfde ondeugdelijk gebleken grondslag, en dit gebrek niet kan worden hersteld. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit ter zake van de terugvordering te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald. Met het oog daarop overweegt de Raad dat voor wat betreft de periode van 12 mei 2000 tot 1 september 2003 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd is om tot terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Blijkens de stukken voert het College het beleid tot terugvordering over te gaan tenzij sprake is van - kort gezegd - dringende redenen. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen gaat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. In hetgeen appellanten tot op heden hebben aangevoerd, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat in dit geval niet overeenkomstig het beleid ten volle van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik kan worden gemaakt.

De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden begroot op

€ 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 18 mei 2005, voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 september 2003 tot en met

5 oktober 2003 en de (mede)terugvordering;

Herroept het besluit van 2 februari 2005, voor zover het betreft de intrekking van bijstand over de periode van 1 september 2003 tot en met 5 oktober 2003 en de medeterugvordering over die periode.

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante tegen de terugvordering, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.288,-- te betalen door de gemeente Zoetermeer aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Zoetermeer het door appellanten betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2008.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) R.J. van der Veen.

AR