Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7175

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06-6133 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. Ontbindingsvergoeding bestemd om te voorzien in noodzakelijke kosten van bestaan.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/124
JWWB 2008, 150

Uitspraak

06/6133 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 september 2006, 05/4310 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.M.W. Bongers, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. Y. van der Linden, advocaat te Eindhoven, zich als gemachtigde van appellant gesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Voor appellant is verschenen mr. Van der Linden. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.M. Vrijsen, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant en zijn partner ontvangen sedert 10 september 2004 (aanvullende) bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

Bij beschikking van 31 januari 2005 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, kantonrechter te Eindhoven, is de tussen appellant en zijn werkgeefster bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2005 ontbonden en is aan appellant ten laste van zijn werkgeefster een vergoeding toegekend van € 7.414,29 bruto. De voormalig werkgeefster heeft aan appellant op 25 februari 2005 ten titel van salaris een bedrag van € 4.286,94 uitgekeerd.

Het College heeft hierin aanleiding gevonden om bij besluit van 20 juli 2005 met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de kosten van bijstand over de periode van 10 september 2004 tot en met 31 januari 2005 tot een bedrag van € 3.050,74 van appellant en zijn partner terug te vorderen.

Bij besluit van 1 november 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 juli 2005 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij overwogen dat appellant bij zijn aanvraag om bijstand heeft verklaard dat zijn werkgeefster hem vanaf 10 september 2004 geen salaris meer heeft uitbetaald en dat, gelet op het feit dat de voormalig werkgeefster de betaling van 25 februari 2005 ten titel van salaris heeft verricht, de bij de ontbindingsbeschikking toegekende vergoeding moet worden aangemerkt als salaris over de periode van 10 september 2004 tot en met 31 januari 2005.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 november 2005 ongegrond verklaard en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat bijstand in beginsel wordt verleend in aanvulling op hetgeen men zelf aan inkomen verwerft. In artikel 32, eerste lid, van de WWB is omschreven wat onder inkomen moet worden verstaan. Het betreft hier onder meer inkomsten uit of in verband met arbeid dan wel naar hun aard daarmee overeenkomende inkomsten en uitkeringen.

De Raad stelt vast dat de betaling ter hoogte van € 4.286,94 van de voormalig werkgeefster van appellant op 25 februari 2005 er toe strekt uitvoering te geven aan de beschikking van 31 januari 2005. Gemachtigden van partijen hebben dit ter zitting desgevraagd bevestigd. Dit betekent dat genoemd bedrag, anders dan de werkgever bij het overmaken daarvan op de rekening van appellant heeft aangegeven, geacht moet worden ten titel van ontbindingsvergoeding te zijn uitbetaald.

Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 januari 2007, LJN AZ6014) dient een vergoeding als waarvan in dit geval sprake is te worden beschouwd als inkomsten bestemd om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan voor de periode na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, tenzij voldoende en ondubbelzinnig blijkt dat deze vergoeding een andere bestemming heeft. Anders dan het College en de rechtbank is Raad van oordeel dat van dit laatste niet gebleken. De omstandigheden dat appellant over de periode van 10 september 2004 tot 1 februari 2005 zijn salaris niet kreeg doorbetaald en dat de voormalig werkgeefster de ontbindingsvergoeding ten titel van salaris heeft uitbetaald, zijn onvoldoende om aan te nemen dat ondubbelzinnig blijkt dat de ontbindingsvergoeding is bestemd om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan over de periode van 10 september 2004 tot 1 februari 2005.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de op 25 februari 2005 aan appellant uitbetaalde ontbindingsvergoeding niet kan worden aangemerkt als naderhand over de periode van 10 september 2004 tot 1 februari 2005 verkregen middelen, zodat het College niet bevoegd was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de kosten van de over de periode van 10 september 2004 tot en met 31 januari 2005 verleende bijstand van appellant terug te vorderen. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad - met gegrondverklaring van het beroep - het besluit van 1 november 2005 vernietigen en het College opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 juli 2005.

Met het oog op de nadere besluitvorming merkt de Raad op dat de ontbindingsvergoeding dient te worden toegerekend aan de periode vanaf 1 februari 2005 en dat het aan het College is om te berekenen wat de duur is van de periode waarop de ontbindingsvergoeding geacht kan worden betrekking te hebben. Vervolgens dient het College het recht op bijstand van appellant over die periode opnieuw vast te stellen rekening houdend met de betreffende inkomsten en kan de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a of b, van de WWB worden ingetrokken of herzien indien zij ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. In dat verband merkt de Raad op dat, anders dan appellant aanvoert, de omstandigheid dat appellant de ontbindingsvergoeding direct na uitbetaling daarvan heeft besteed door af te lossen op zijn schulden niet betekent dat hij over die vergoeding niet de beschikking heeft gehad.

Het College is voorts bevoegd om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van de als gevolg van een besluit tot intrekking of herziening onverschuldigd betaalde bijstand van appellant terug te vorderen. De Raad merkt daarbij wel op dat uit de artikelen 7:11 en 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht voortvloeit dat het indienen van een bezwaarschrift er niet toe mag leiden dat de indiener via de heroverweging in een slechtere positie raakt dan zonder bezwaarprocedure mogelijk zou zijn (het zogenoemde verbod van reformatio in peius). Dat betekent dat het van appellant terug te vorderen bedrag niet hoger mag zijn dan € 3.050,74.

Het verzoek van appellant om vergoeding van schade komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het College noodzakelijk is. Het College zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 1 november 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Eindhoven aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op

4 maart 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

AR