Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06-3733 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Achteraf verkregen middelen. Betaalde leenbijstand omgezet in bijstand om niet, en terugvordering van netto teveel betaalde bijstand. Nabetaling AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 151

Uitspraak

06/3733 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 juni 2006, 05/8211 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 18 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar echtgenoot R.F. Gagliardi, gemachtigde, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het Dagelijks Bestuur heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Lisse van 17 april 1997 is aan appellante en haar echtgenoot op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 11 maart 1997 - onder meer - algemene bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. De bijstand is verstrekt in de vorm van een geldlening op de grond dat, zo is in dit besluit overwogen, appellante en haar echtgenoot op korte termijn kunnen beschikken over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te voorzien. De bijstand is op 1 november 1999 beëindigd.

De Sociale Verzekeringsbank heeft de ISD Bollenstreek bij brief van 11 april 2005 bericht dat aan appellante een netto-bedrag van € 1.042,27 wegens achterstallig AOW-pensioen over de periode van augustus 1997 tot en met december 2003 is betaald.

Bij besluit van het Dagelijks Bestuur van 2 juni 2005 is - zo begrijpt de Raad dit besluit, gelezen in samenhang met het daaraan ten grondslag liggende ambtelijk rapport - de aan appellanten over de periode van 11 maart 1997 tot 1 november 1999 betaalde leenbijstand omgezet in bijstand om niet, en is een bedrag van € 510,86 aan netto teveel betaalde bijstand van appellanten teruggevorderd.

Bij besluit van 7 oktober 2005 heeft het Dagelijks Bestuur het tegen het besluit van 2 juni 2005 gemaakte bezwaar overeenkomstig het advies van de commissie voor de bezwaarschriften ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante achteraf over een periode waarover bijstand is verleend middelen heeft ontvangen, en dat dit dient te leiden tot terugvordering van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (WWB). Het berekende bedrag van de terugvordering wordt gevormd door dat deel van het aan appellante nabetaalde AOW-pensioen dat volgens het Dagelijks Bestuur moet worden toegerekend aan de hierboven genoemde periode.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het college van burgemeester en wethouders de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken. Krachtens een gemeenschappelijke regeling berust deze bevoegdheid in de gemeente Lisse bij het Dagelijks Bestuur. Dat achteraf rekening kan worden gehouden met de later ontvangen middelen hangt samen met het complementaire karakter van de WWB (en daarvoor de Abw).

Niet in geschil is dat appellante gedurende de in geding zijnde periode bijstand ontving en dat aan haar over die periode AOW-pensioen is nabetaald. Die nabetaling heeft plaatsgevonden in de maand september 2004.Vanaf dat moment is sprake van middelen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB met betrekking tot een periode waarover bijstand is verleend. Anders dan appellante heeft aangevoerd, gaat het hier niet om vermogen maar om periodiek inkomen, zodat niet relevant is of door de nabetaling van het pensioen de grens van het vrij te laten vermogen al dan niet werd overschreden. De Raad onderschrijft niet het standpunt van appellante dat uit de toekenningsbeschikking en de latere correspondentie moet worden afgeleid dat uitsluitend de middelen die zouden worden verkregen van de voormalige werkgever van de echtgenoot van appellante in aanmerking zouden mogen worden genomen. Zodanige beperking leest de Raad in bedoelde stukken niet en is ook niet in overeenstemming met de strekking van genoemde bepaling. Volgens vaste rechtspraak is voorts voor toepassing van deze bepaling niet vereist dat voorafgaand daaraan een besluit tot herziening van de bijstand wordt genomen.

De stelling van appellante dat het in haar situatie uitsluitend mogelijk was om kosten van bijstand terug te vorderen die twee jaar tevoren waren gemaakt, berust naar het oordeel van de Raad op een onjuiste lezing van de bepalingen van artikel 58, eerste lid, van de WWB.

Op grond van het voorafgaande komt de Raad evenals het Dagelijks Bestuur en de rechtbank tot de conclusie dat in dit geval is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van meergenoemde bepaling, zodat het Dagelijks Bestuur bevoegd was tot terugvordering.

Het standpunt van appellante dat deze bevoegdheid niet meer kon worden gebruikt omdat de vordering is verjaard, treft geen doel. Dit berust op een onjuiste lezing van de artikelen 3:307 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het gaat in dit geval om een vordering wegens onverschuldigde betaling. Daarop ziet artikel 3:309 van het BW. Volgens deze bepaling verjaart een rechtsvordering wegens onverschuldigde betaling door verloop van 5 jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. In de loop van 2003 is het Dagelijks Bestuur ermee op de hoogte geraakt dat het AOW-pensioen van appellante met terugwerkende kracht zou worden verhoogd. Vervolgens heeft het Dagelijks Bestuur (pas) na ontvangst van de brief van de Sociale verzekeringsbank van 11 april 2005 kunnen vaststellen dat aan appellante daadwerkelijk pensioen was nabetaald en kunnen berekenen hoe hoog de vordering op appellante zou zijn. Nu het terugvorderingsbesluit op 2 juni 2005 is genomen, is evident dat verjaring van de vordering hier niet aan de orde is.

Het Dagelijks Bestuur heeft gehandeld in overeenstemming met zijn, door de Raad niet onredelijk geachte, beleid ter zake van terugvordering. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking van dit beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

Appellante heeft nog aangevoerd dat van een onpartijdige behandeling in de bezwaarfase en van een eerlijk proces in eerste aanleg geen sprake is geweest.

Voor zover appellante daarbij heeft gewezen op de zowel door de commissie voor de bezwaarschriften als de rechtbank geconstateerde schending van de inlichtingenplicht door appellante en haar echtgenoot (door het Dagelijks Bestuur niet in te lichten over de ontvangst van de nabetaling van het pensioen), wijst de Raad er op dat de bezwarencommissie daaraan geen consequenties heeft verbonden voor de hoogte van het bedrag van de terugvordering en dat de rechtbank deze schending uitsluitend heeft genoemd in het kader van de beoordeling van de vraag of sprake was van verjaring. Dit levert geen grond op voor het oordeel dat de commissie en de rechtbank (vervolgens) vooringenomen of niet meer onafhankelijk konden worden geacht. Evenmin bieden het verslag van de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften van 19 september 2005 en het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 1 juni 2006 aanknopingspunten voor het standpunt van appellanten dat appellante en haar echtgenoot - zoals ter zitting van de Raad door hen naar voren is gebracht - op intimiderende wijze zijn bejegend.

Ten slotte is de Raad van oordeel, in tegenstelling tot wat appellante heeft aangevoerd, dat de aangevallen uitspraak in overeenstemming met artikel 8:77, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht deugdelijk is gemotiveerd. De Raad merkt daarbij op dat de rechtbank niet (steeds) gehouden is op alle punten die in beroep naar voren zijn gebracht afzonderlijk in te gaan.

Gelet op het voorafgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter, en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2008.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) R.J. van der Veen.

IJ