Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7170

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06-6621 IOAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking IOAW-uitkering. Verplichting tot verstrekken van inlichtingen niet voldoende nagekomen. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 124

Uitspraak

06/6621 IOAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 oktober 2006, 06/489 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK rechtsbijstand.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Voor appellant is verschenen mr. Van Leeuwen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Schwachöfer, werkzaam bij de gemeente Bergen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad, die voor een overzicht van de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak, gaat in dit geding uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellant is per 1 januari 1998 en aansluitend aan zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) door het College een uitkering toegekend op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw).

Na blokkering van de uitbetaling per 1 juni 2004 heeft het College bij besluit van 23 november 2004 deze uitkering met terugwerkende kracht tot 1 januari 1998 ingetrokken. Aan laatst genoemd besluit ligt ten grondslag dat appellant de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen niet voldoende is nagekomen, waardoor niet kan worden vastgesteld of hij als werkloze werknemer als bedoeld in artikel 2 van de Ioaw is aan te merken. Bij besluit van 9 maart 2005 heeft het College de over de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 mei 2004 betaalde uitkering tot een bedrag van € 56.635,67 van appellant teruggevorderd. Deze besluiten zijn na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 december 2005.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het tegen dit besluit van 20 december 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, thans nog uitsluitend voor zover deze ziet op de intrekking en terugvordering, en daartoe in hoofdzaak gesteld dat hij in de hier in geding zijnde periode wel degelijk als werkloze werknemer moest worden aangemerkt.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat voor wat betreft de intrekking die beoordeling zich uitstrekt over de periode van 1 januari 1998 tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit, te weten 23 november 2004.

Tussen partijen is blijkens het verhandelde ter zitting niet meer in geschil dat appellant door geen opgave te doen van het feit dat hij directeur-grootaandeelhouder is van [naam B.V.], welke B.V. eigenaar is van [naam Hotelbedrijf], en door niet aan te geven dat hij werkzaamheden heeft verricht als bedrijfsleider van het hotel, de informatieverplichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Ioaw heeft geschonden.

Wel in geschil is het antwoord op de vraag of appellant als werkloze werknemer in de zin van de Ioaw was aan te merken en recht had op een uitkering op grond van die wet. Gelijk de Raad eerder heeft overwogen (Ioaw 20 februari 2001, LJN AI5735) moet voor de uitleg van dat begrip nauwe aansluiting worden gezocht bij de WW. Gelet daarop zijn van belang de aard en de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden en zijn feitelijke resterende beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt.

De Raad stelt vast dat appellant over de aard en omvang van zijn werkzaamheden ten behoeve van het hotel geen éénduidige informatie heeft verschaft op de informatieformulieren of anderszins. Appellant heeft aanvankelijk opgegeven voor het hotel werkzaamheden in loondienst te verrichten als amanuensis, waarbij de ene keer werd aangegeven dat deze werkzaamheden in totaal 7 uren per week besloegen en de andere keer geen opgave werd gedaan over het aantal uren. Voorts werd een wisselend bedrag aan loon opgegeven, waarbij het bedrag de ene keer als netto-loon en de andere keer als bruto-loon werd genoemd. Appellant heeft niet opgegeven als zelfstandige werkzaam te zijn. Eerst in de bezwaarfase heeft appellant aangegeven dat hij directeur-grootaandeelhouder was van [naam B.V.] welke B.V. enig aandeelhouder is van [naam Hotelbedrijf], en dat hij naast zijn werkzaamheden als klusjesman ook belast was met het aannemen en ontslaan van personeel van het hotel en met andere activiteiten de bedrijfsleiding betreffende. Omtrent de omvang van die werkzaamheden in zijn eigen bedrijf heeft appellant geen enkele duidelijkheid verschaft, ook niet ter zitting van de Raad. Namens hem is slechts gesteld dat deze werkzaamheden minimaal waren en in genoemde 7 uur begrepen moeten worden, onder andere omdat het om een seizoenbedrijf ging, dat ook vele maanden van het jaar gesloten was. De Raad constateert dat ook die stelling niet met verifieerbare gegevens is onderbouwd. De door appellant nog overgelegde, door zijn accountantsbureau opgestelde, berekening met betrekking tot verlies en winst over de van belang zijnde jaren maken dit niet anders, nu deze jaarcijfers zijn opgemaakt aan de hand van door appellant verstrekte gegevens.

Onder deze omstandigheden heeft het College zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat onvoldoende gegevens voorhanden zijn om te kunnen vaststellen in welke omvang appellant werkzaam is geweest in het hotelbedrijf, wat de aard van die werkzaamheden was, en of hij, gelet daarop, in de in geding zijnde periode als werkloze werknemer in vorenbedoelde zin kan worden aangemerkt.

De door de schending van de informatieverplichting veroorzaakte onduidelijkheid omtrent aard en omvang van de werkzaamheden van appellant brengt overigens tevens mee dat, indien wel als vaststaand had kunnen worden aangenomen dat destijds sprake is geweest van gedeeltelijke beschikbaarheid van appellant voor de arbeidsmarkt, ook dan heeft te gelden dat (de omvang van) het recht op uitkering niet meer is vast te stellen. Immers nu is niet meer na te gaan of de feitelijk door appellant zelf bepaalde hoogte van de beloning van zijn werkzaamheden ree?l is geweest. De Raad wijst in dit verband ten overvloede daarom op artikel 8, eerste lid, van het Inkomensbesluit Ioaw. Uit deze bepaling volgt dat ook inkomsten die een belanghebbende redelijkerwijs geacht kan worden te verwerven van invloed zijn op het recht op uitkering.

Het vorenstaande betekent dat het College op grond van artikel 17, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaw gehouden was de uitkering van appellant over de hier aan de orde zijnde periode in te trekken en op grond van artikel 25 van deze wet tot terugvordering van het ten onrechte betaalde over te gaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen bedoeld in het vijfde lid van artikel 17 dan wel het vierde lid van artikel 25, van de Ioaw om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien.

De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt dus voor bevestiging in aanmerking.

Gezien de uitkomst van dit geding is er geen ruimte voor inwilliging van het verzoek om veroordeling van het College tot schadevergoeding.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en K. Zeilemaker en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

AR