Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7146

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
06-1824 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1824 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 februari 2006, 05/2473 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. de Jong, werkzaam bij CNV Bedrijvenbond, kantoor Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij overgelegd het rapport van de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling van 15 mei 2006.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 29 januari 2008.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als boekhoudkundig medewerkster toen zij zich op 12 oktober 1999 ziek meldde met hartklachten. Aan haar is met ingang van 3 oktober 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en na een bezwaarprocedure met ingang van 21 oktober 2001 werd gesteld op 15 tot 25%.

Appellante heeft zich met ingang van 17 maart 2004 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding van deze melding heeft de verzekeringsarts C. Adamse appellante op 10 juni 2004 onderzocht. In een rapport van 9 juli 2004 vermeldde Adamse dat bij appellante wederom sprake was van kransslagaderproblematiek, welke werd geobjectiveerd door catheterisatie in april 2004 en waarvoor geen operatie aan de orde was. Volgens Adamse was sprake van afgenomen energetische belastbaarheid en hij achtte appellante geschikt voor overwegend zittende werkzaamheden zonder dwingende tijdsdruk. Adamse legde zijn bevindingen vast in een in zijn rapport opgenomen Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Door Adamse opgevraagde informatie van de appellante behandelend cardioloog C. van Tellingen van 23 juli 2004, waarin de problematiek van appellante werd uiteengezet en werd gesteld dat appellante als volledig arbeidsongeschikt diende te worden beschouwd, bevestigde volgens Adamse in een rapport van 17 september 2004 de beperkte belastbaarheid van appellante voor stress en matige lichamelijke inspanning en gaf hem geen aanleiding de op 9 juli 2004 vastgestelde belastbaarheid te herzien. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding vervolgens een verlies aan verdienvermogen van 30,48% berekend. Hierna nam het Uwv zijn besluit van 29 september 2004, waarbij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 14 april 2004 werd herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

In de bezwaarprocedure kreeg de in rubriek I vermelde bezwaarverzekeringsarts Greveling de beschikking over informatie van de behandelend reumatoloog. Deze vermeldde in een brief van 4 april 2005 dat hij bij appellante geen aanwijzingen had gevonden voor systemische reumatologische pathologie. Als diagnose gaf hij aan “Recidiverende CTS (L>R) en TVS (straal II, III, en V R)-klachten” en hij vermeldde voorts dat hij appellante geen ge- of verboden wat betreft werkbelasting had gegeven, maar dat appellante weet dat repeterende fysiek belastende activiteiten voor de vingers klachten uitlokken. In deze informatie zag Greveling op 12 april 2005 aanleiding de FML aan te vullen met beperkingen in de rubriek IV, onderdelen 01, 03 en 07, met het oog op de activiteiten als bedoeld door die reumatoloog. Vervolgens liet de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards in een rapport van 22 mei 2005 enkele functies vanwege onder andere de hand- en vingerbelasting vervallen en baseerde hij de schatting op de functies administratief medewerker afhandelingen (SBC-code 515080), productiemedewerker textiel (SBC-code 272043) en laboratoriummedewerker (SBC-code 251010). Dit leidde echter niet tot een wijziging in de voor appellante vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 27 mei 2005 het bezwaar tegen het besluit van 29 september 2004 ongegrond.

In de beroepsprocedure legde appellante een brief van Van Tellingen van 11 november 2005 over. Van Tellingen meldde een stationaire situatie, waarbij zich voortdurend cardiale klachten voordoen ondanks diverse medicatie. Hoewel hij bij zijn standpunt bleef dat appellante volledig arbeidsongeschikt was, gaf hij ook aan dat appellante wellicht de geduide functies kon vervullen, maar dan zeker niet altijd zonder cardiale klachten.

Het Uwv legde in beroep een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J. Kalthof van 14 november 2005 over, die een functie met drie arbeidsplaatsen in de SBC-code 272043 liet vervallen en het verlies aan verdienvermogen uiteindelijk vaststelde op 34,68%.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van 27 mei 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. De rechtbank onderschreef de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

In hoger beroep herhaalde de gemachtigde van appellante in essentie de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen bezwaren tegen de vastgestelde belastbaarheid van appellante en legde zij een brief van Van Tellingen van 8 maart 2006 over. Deze cardioloog zette nogmaals zijn visie over de cardiale toestand van appellante uiteen en gaf aan dat bij eventuele werkhervatting piekbelastingen, zwaardere inspanningen en een te grote mentale belasting blijvend moeten worden beperkt en dat progressie van de afwijkingen met uiteraard ook herhaalde uitval mogelijk blijft. Voorts wees hij op de zogenoemde NYHA classificering en voegde daarover documentatie bij. De gemachtigde van appellante wees er nog op dat appellante ingedeeld is in de NYHA-klasse III. Voorts wees de gemachtigde wat betreft de geduide functies nog op het ontbreken van recuperatiemogelijkheden in de functie administratief medewerker afhandelingen omdat volgens de omschrijving van de belastingen in die functie het toetsenbord dan wel de muis tijdens 8 werkuren 25 maal ongeveer 2 minuten achtereen moet worden bediend, hetgeen volgens de gemachtigde neerkomt op 50 minuten per uur.

De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding gezien om wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad tekent daarbij aan dat ook de in hoger beroep overgelegde informatie van Van Tellingen hem er niet van heeft kunnen overtuigen dat door het Uwv de belastbaarheid van appellante vanwege haar cardiale problematiek is overschat. In de FML zijn immers beperkingen opgenomen die, naar het de Raad voorkomt, in lijn liggen met hetgeen Van Tellingen in zijn brief van 8 maart 2006 als blijvende beperkingen bij eventuele werkhervatting heeft geformuleerd. De Raad heeft voorts uit het door de gemachtigde van appellante overgelegde Verzekeringsgeneeskundig protocol Hartinfarct van 30 november 2005 en in het bijzonder daarvan de bladzijden 87, 88 en 92 niet kunnen afleiden dat bij indeling in de NYHA-klasse III geen sprake kan zijn van benutbare functionele mogelijkheden.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat de beperking in de FML ten aanzien van het hand- en vingergebruik ten aanzien van repetitieve bewegingen blijkens de toelichting bij het betreffende onderdeel alleen geldt voor fysiek belastende activiteiten en dat daarvan volgens Wijngaards geen sprake is bij het bedienen van toetsenbord en muis in deze functie, nu dit telkens kortdurend en met recuperatiemogelijkheid is. De Raad acht deze toelichting van Wijngaards plausibel en tekent daar nog bij aan dat in de FML, gelet ook op een Memo van Greveling van

9 augustus 2005 met de vaststelling dat typen wel een repeterende maar geen fysiek belastende activiteit is, geen specifieke beperking voor toetsenbordgebruik is opgenomen. Uit de hiervoor weergegeven omschrijving van het onderdeel 46 (toetsenbord/muis bedienen) van de belastende factoren in de functie van administratief medewerker afhandelingen, mede bezien in het licht van de beschrijving van de inhoud van deze functie, valt overigens, naar het de Raad voorkomt, niet af te leiden dat sprake is van een bedieningsfrequentie als door de gemachtigde van appellante uit die beschrijving is opgemaakt. Wat betreft de tot de SBC-code 272043 behorende functie 2272-0034-006 merkt de Raad nog op dat van de daarbij vermelde bijzondere belasting ten aanzien van repetitieve handelingen, te weten het steken van een draad in de naald, niet valt in te zien dat dat fysiek zwaar belastend is. Voorts valt uit de in de drie functies behorende tot deze SBC-code omschreven productienormen van 150, respectievelijk 75 en 75 dekbedden per dag, nog niet af te leiden dat hier sprake is van een meer dan normale productiedruk. Bij de omschrijving van de functie-inhoud van de functie met de vermelding van de productienorm 150 is immers ook vermeld dat betrokkene zonodig op vrijwillige basis assisteert bij het inpakken, hetgeen er niet op duidt dat in deze functie geen ruimte voor recuperatie is.

Uit al het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Lochs.

CVG