Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
06-3280 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3280 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

G.J. Witteveen, wonende te Apeldoorn (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 26 april 2006, 05/185 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2008. Appellant is, met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Leeuwen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 8 juni 1998 vanwege ernstige gewrichtsklachten uitgevallen voor zijn werk als monteur. Hij ontving sinds 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts T.Th. Stout appellant onderzocht. De verzekeringsarts vermeldt in zijn rapport van 17 mei 2004 dat appellant beperkt is voor met name repeterende en langdurige statische arbeid. Met inachtneming van deze beperkingen heeft Stout de functionele mogelijkheden van appellant vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 mei 2004. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige J.J.A. Faber op 16 september 2004 een rapport uitgebracht, waarin hij heeft aangegeven dat appellant geschikt kan worden geacht voor functies die vanuit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) werden verkregen. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 12,65%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv appellant bij besluit van 17 september 2004 meegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt en dat daarom zijn uitkering met ingang van 17 november 2004 wordt ingetrokken. In het kader van het door appellant tegen het besluit van 17 september 2004 gemaakte bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter op 24 december 2004 een rapport uitgebracht. De Kanter komt tot de conclusie, na het dossier te hebben bestudeerd en de informatie van de huisarts van appellant van 27 oktober 2004 bij zijn beoordeling te hebben meegewogen, dat het primaire medische onderzoek juist is geweest.

Bij besluit van 29 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven, daarbij onder meer overwegend dat het medisch onderzoek naar de bij appellant bestaande beperkingen van beide verzekeringsartsen zorgvuldig is verricht en dat de in geding gebrachte medische stukken van de behandelend sector geen aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de juistheid van dit onderzoek. De rechtbank heeft het bestreden besluit desondanks vernietigd, nu dit ten tijde van het nemen ervan niet was voorzien van een deugdelijke motivering als bedoeld in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 e.v.). Omdat het Uwv hangende de beroepsprocedure door middel van een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige M.J.W.M. Willemse van 20 oktober 2005 het bestreden besluit alsnog van een adequate motivering had voorzien en de rechtbank in het licht hiervan geen aanknopingspunten zag om de geselecteerde functies voor appellant niet geschikt te achten, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellant niet juist heeft ingeschat en dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de inhoud van de brief van de orthopedisch chirurg

M. de Kleuver van 20 december 2005.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde medische informatie onvoldoende aanknopingspunten biedt om te twijfelen aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Ten aanzien van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, is de Raad, onder verwijzing naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 17 februari 2006, van oordeel dat ook de informatie van De Kleuver geen aanleiding geeft de uitkomst van het medisch onderzoek voor onjuist te houden, nu blijkt dat onderzoek geen aanwijzingen voor neurologische uitval heeft opgeleverd. Voorts heeft appellant in hoger beroep geen nadere medische informatie ingebracht ter onderbouwing van zijn stelling dat hij meer beperkt moet worden geacht dan door de verzekeringsarts is aangenomen.

Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing overweegt de Raad het volgende.

Het Uwv heeft in hoger beroep desgevraagd een rapportage van bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman van 7 november 2007 overgelegd waarin is gesteld dat de aanvankelijk voorgehouden functie van bode/bezorger (SBC-code 315140) buiten beschouwing wordt gelaten en dat ten aanzien van het punt reiken de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies aanzienlijk lager ligt dan de belastbaarheid van appellant op dit punt. Tevens bevestigt Westerman het door bezwaarverzekeringsarts De Kanter in zijn rapportage van 24 juni 2005 gestelde met betrekking tot de punten autorijden en computergebruik. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens naast de twee overgebleven aanvankelijk voorgehouden functies meteropnemer (SBC-code 315181) en inkoper (SBC-code 516150), de reservefunctie van verkoper groothandel (SBC-code 317012) aan de schatting ten grondslag gelegd. Vergelijking van het mediaanloon van de geselecteerde functies met het maatmaninkomen levert een verlies aan verdiencapaciteit op van 14,21%, en heeft derhalve geen gevolgen voor de uitkomst van de schatting, aldus Westerman.

De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de uitkomst van deze schatting en is voorts van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in bovengenoemd rapport toereikend heeft gemotiveerd waarom de voor de schatting gebruikte (resterende) functies door appellant kunnen worden vervuld.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, nu, naar het oordeel van de Raad, eerst in hoger beroep het bestreden besluit is voorzien van een toereikende motivering. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en H.G. Rottier en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) E. de Bree.

RJB