Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
07/1034 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2007:AZ6685, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of artikel 16, eerste lid, van de WWB de mogelijkheid biedt om, indien zich zeer dringende redenen voordoen, aan een persoon die een gezamenlijke huishouding voert, als zelfstandig subject bijstand te verlenen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/128
JWWB 2008, 123

Uitspraak

07/1034 WWB

07/2466 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de Voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 januari 2007, 06/4902 en 06/4903 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 11 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.J.M. van der Wielen, advocaat te Oss, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nieuw besluit op bezwaar van 5 april 2007 aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M.H.A.J. Wesdijk, werkzaam bij de gemeente Oss. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wielen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Betrokkene heeft op 10 juli 2006 een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met ingang van 14 oktober 2005.

Bij besluit van 20 juli 2006 heeft appellant die aanvraag afgewezen op de grond dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB.

Bij besluit van 9 november 2006 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 20 juli 2006 ongegrond verklaard met dien verstande dat aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag wordt gelegd dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Daarbij heeft appellant overwogen dat in het geval van betrokkene geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 november 2006 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de grond dat appellant de aanvang van de beoordelingsperiode niet juist heeft vastgesteld. De voorzieningenrechter heeft appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Met het oog daarop heeft de voorzieningenrechter overwogen dat bij de vaststelling van de aanvang van de beoordelingsperiode ervan dient te worden uitgegaan dat de broer van betrokkene zich op 14 oktober 2005 heeft gemeld bij het CWI en op 19 december 2005 ten onrechte niet in staat is gesteld een aanvraag in te dienen. Voorts heeft de voorzieningenrechter met het oog op het nieuw te nemen besluit op bezwaar overwogen dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB, dat er in oktober 2005 sprake was van zeer dringende redenen op grond waarvan in afwijking van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand kon worden verleend en dat appellant zich tevens dient uit te laten over de vraag in hoeverre ook na oktober 2005 zeer dringende redenen bestonden.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd uitsluitend voor zover de voorzieningenrechter heeft overwogen dat er in oktober 2005 sprake was van zeer dringende redenen op grond waarvan in afwijking van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand kon worden verleend en dat appellant zich tevens dient uit te laten over de vraag in hoeverre ook na oktober 2005 zeer dringende redenen bestonden.

Op 5 april 2007 heeft appellant ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter een nieuw besluit op bezwaar genomen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat hij het besluit van 5 april 2007 aanmerkt als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken.

De aangevallen uitspraak

De Raad stelt vast dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat betrokkene ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Aangezien appellant dit oordeel niet heeft bestreden en betrokkene geen hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft ingesteld, dient in hoger beroep van de juistheid van dit oordeel te worden uitgegaan.

Tussen partijen is in geschil of artikel 16, eerste lid, van de WWB de mogelijkheid biedt om, indien zich zeer dringende redenen voordoen, aan een persoon die een gezamenlijke huishouding voert, als zelfstandig subject bijstand te verlenen.

Artikel 16, eerste lid, van de WWB bevat de mogelijkheid om bijstand te verlenen aan personen die niet behoren tot de kring van rechthebbenden als omschreven in paragraaf 2.2, indien daartoe zeer dringende redenen noodzaken. Met appellant en anders dan de voorzieningenrechter en betrokkene, is de Raad van oordeel dat betrokkene niet is uitgesloten van deze kring van rechthebbenden. Aan betrokkene is bijstand geweigerd om andere redenen namelijk omdat hij een gezamenlijke huishouding voert met een ander die geacht kan worden over de middelen te beschikken om te voorzien in beider bestaan.

Daarop ziet de uitzonderingsbepaling van artikel 16, eerste lid, van de WWB niet.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt.

Het besluit van 5 april 2007

Appellant heeft bij het besluit van 5 april 2007 het bezwaar tegen het besluit van 20 juli 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit herroepen en betrokkene met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB alsnog bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande over de periode van 14 oktober 2005 tot en met 26 november 2006. Tevens heeft appellant een vergoeding toegekend voor de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

De Raad heeft hiervoor bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak reeds overwogen dat die uitspraak, voor zover deze is aangevochten, niet in stand kan blijven. Daaruit vloeit voort dat aan het besluit van 5 april 2007 de grondslag is komen te ontvallen, voor zover daarbij aan betrokkene met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB over de periode van 14 oktober 2005 tot en met 26 november 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande is verleend. Het besluit van 5 april 2007 komt derhalve in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

De Raad ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd geen aanknopingspunten om te oordelen dat appellant met het besluit van 5 april 2007 voor het overige geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak

Proceskosten

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Vernietigt het besluit van 5 april 2007 voor zover daarbij aan betrokkene over de periode van 14 oktober 2005 tot en met 26 november 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande is verleend.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en K. Zeilemaker en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

AR