Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7062

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
05-4428 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum Wajong-uitkering. Uitkering kan niet eerder ingaan dan een jaar vóór de datum van aanvraag. Geen sprake van een bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4428 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 juni 2005, 05/436 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.M.W. Bongers, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 2 januari 2008 een nader rapport van 27 december 2007 van de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz ingezonden.

Bij faxbericht van 9 januari 2008 heeft mr. Y. van der Linden, advocaat te Eindhoven en blijkens een faxbericht van 4 januari 2008 opvolgend gemachtigde, nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.P.H.M. van Lieshout.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

Op 12 oktober 2001 heeft appellant bij de rechtsvoorganger van het Uwv een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Bij besluit van 22 april 2002 heeft het Uwv afwijzend op deze aanvraag beslist omdat appellant op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, welke werd gesteld op

1 juli 1982, niet aan de uitkeringsvoorwaarden voldeed. Bij besluit van 6 augustus 2004 is het bezwaar, na een eerdere bezwaar- en beroepsprocedure, van appellant gegrond verklaard en is appellant per 12 oktober 2000 een uitkering ingevolge de Wajong toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Aan dit besluit ligt het standpunt ten grondslag dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant gesteld moet worden op 1 mei 1975, maar dat de uitkering niet eerder kan ingaan dan een jaar vóór de datum van de aanvraag omdat in de situatie van appellant geen sprake is van een bijzonder geval.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 6 augustus 2004, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij overwogen dat het Uwv zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een bijzonder geval omdat niet is gebleken dat appellant niet in staat is geweest eerder een aanvraag in het kader van de Wajong in te dienen.

Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. In hoger beroep heeft hij aangevoerd dat er wél sprake is van een bijzonder geval waardoor de uitkering eerder kan ingaan dan een jaar voor de datum van de aanvraag. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij, gelet op de aard en het geleidelijk verloop van zijn ziekte (schizofrenie), het gebrek aan ziekte-inzicht en de impact van deze ziekte niet in staat was eerder dan op 12 oktober 2001 een uitkering aan te vragen. Appellant heeft verder in 1968 en 1969 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen en het Uwv had zijns inziens ambtshalve moeten onderkennen dat hij ook na 1969 recht had op een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wajong. Appellant is, kortom, van mening dat zijn arbeidsongeschiktheid is aangevangen in 1968/1969 en dat hij vanaf die tijd ook in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De Raad overweegt als volgt.

Het geschil tussen partijen betreft in hoofdzaak de vraag of zich ten aanzien van het Uwv een bijzonder geval voordoet als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong op grond waarvan het Uwv in redelijkheid had moeten afwijken van de in dit artikellid neergelegde regel dat een uitkering niet eerder kan ingaan dan één jaar voor de datum van aanvraag. Eerst indien gezegd moet worden dat sprake is van een bijzonder geval komt de vraag aan de orde of het Uwv niet van een eerdere datum dan 1 mei 1975 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag had kunnen en moeten uitgaan.

Blijkens vaste rechtspraak van de Raad moet met name van een bijzonder geval als hier bedoeld worden gesproken, indien de betrokken verzekerde terzake van een verlate aanvraag redelijkerwijs gesproken niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest. Dit zal onder meer het geval zijn wanneer die verzekerde om medische en/of psychische redenen kennelijk niet in staat is geweest eerder een aanvraag in te dienen, terwijl tevens geen beroep kon worden gedaan op personen in de directe omgeving van de verzekerde. De Raad heeft er in zijn uitspraak van 21 november 2001, LJN AD7077, op gewezen dat de wetgever in de Memorie van Toelichting bij het met artikel 29, tweede lid, van de Wajong vergelijkbare artikel 24, zevende lid, van de AAW, heeft vermeld dat zich met name ten aanzien van psychotische en schizofrene mensen de situatie kan voordoen dat de betrokkene geen uitkering aanvraagt of weigert een uitkering aan te vragen en dat dit een gevolg kan zijn van het feit dat de betrokkene zijn ziekte ontkent en dat het niet terecht zou zijn indien deze personen hierdoor niet in aanmerking zouden kunnen komen voor een uitkering op grond van deze wet.

De Raad heeft onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat zich ten aanzien van appellant in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag van 12 oktober 2001 een situatie heeft voorgedaan als hiervoor bedoeld. De Raad onderschrijft in dit verband de visie van de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz in diens rapport van 27 december 2007, dat onvoldoende ziektebesef bij appellant onaannemelijk is nu appellant na een eerste psychiatrische opname in 1969 nadien in 1975 en 1977 verschillende malen met psychische klachten is opgenomen, appellant zelf in zijn schrijven van 29 april 2004 heeft vermeld dat hij sedert 1968 onder behandeling is geweest en voortdurend medicatie heeft gebruikt en voorts de gemeente appellant al in 1996 heeft aangemerkt als arbeidsongeschikt na een onderzoek door de GGD. De Raad stelt vast dat appellant geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die zijn stelling met betrekking tot ontbrekend ziektebesef en ziekte-inzicht ondersteunen. Gelet op de omstandigheid dat appellant tussen 1970 en 2000 verschillende studies heeft gevolgd en met diploma’s heeft afgerond, aanvragen heeft ingediend voor studiefinanciering en bijstandsuitkering en gedurende langere tijd voor zijn zieke moeder heeft gezorgd kan naar het oordeel van de Raad evenmin worden gezegd dat de ziekte van appellant van doorslaggevende invloed moet zijn geweest op het tijdstip van de aanvraag.

Aan de enkele, overigens niet met stukken onderbouwde, stelling in hoger beroep dat appellant in 1969-1970 een arbeidsongeschiktheidsuitkering zou hebben ontvangen van een rechtsvoorganger van het Uwv kan de Raad niet de conclusie verbinden dat het Uwv verdere terugwerkende kracht aan de thans toegekende uitkering had moeten verlenen. Van gewekte verwachtingen, onjuiste informatieverstrekking of ongerechtvaardigd stilzitten van de zijde van (de rechtsvoorgangers van) het Uwv is de Raad niet gebleken.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat niet kan worden gesproken van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong. De Raad komt daarom niet meer toe aan de beantwoording van de vraag of het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht heeft vastgesteld op 1 mei 1975.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL