Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7058

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
07-303 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/303 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 7 december 2006, 06/883 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 7 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2008. Appellant was vertegenwoordigd door mr. E.J.S. van Daatselaar. Betrokkene is verschenen bij gemachtigde, zijn vader, W.J.M. Schijf.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 20 maart 2006 heeft het Uwv, voor de tweede maal beslissende op bezwaar, geweigerd de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 20 december 2002 te herzien.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene neemt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts niet zonder eigen onderzoek van betrokkene de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) had mogen nuanceren in die zin dat betrokkene op de aspecten ‘staan’ en ‘knielen of hurken’ minder beperkt moet worden geacht dan eerder door de primaire verzekeringsarts vastgesteld. Aldus is geen inzichtelijke en overtuigende medische onderbouwing voor de nuancering van de belastbaarheid van betrokkene gegeven.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts betrokkene twee maal tijdens een hoorzitting heeft gezien en dat een eigen medisch onderzoek van betrokkene geen zin had mede gelet op de verslechtering van betrokkenes gezondheidstoestand na 20 december 2002. Voorts is aangegeven dat slechts sprake is van verduidelijkingen en niet van een wezenlijke structurele uitbreiding van de belastbaarheid.

Betrokkene heeft aangegeven dat hij rust nodig heeft en dat hij door appellant inmiddels voor 80-100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

De Raad overweegt als volgt.

Vanwege appellant is betrokkene op 26 april 2002 onderzocht en is een FML opgemaakt. Daarbij zijn onder meer beperkingen aangenomen voor ‘knielen of hurken’ en voor ‘staan’. Ten aanzien van ‘knielen of hurken’ is aangegeven: beperkt, kan niet of nauwelijks knielend of hurkend met de handen de grond bereiken. Met betrekking tot ‘staan’ is aangegeven: sterk beperkt, kan minder dan ongeveer 5 minuten achtereen staan (tanden poetsen).

De bezwaarverzekeringsarts heeft op 1 februari 2006 gerapporteerd. Hij heeft daarbij verwezen naar zijn eerdere rapporten van 25 april 2003, 9 mei 2003, 6 januari 2004/ 23 januari 2004 en 28 april 2005. Uit deze rapporten blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts appellant heeft gezien en gesproken tijdens de hoorzittingen op 10 maart 2003 en 9 januari 2004. In eerste instantie heeft hij aangaande het kniebandletsel informatie opgevraagd bij de orthopeed; deze informatie is volgens hem geheel in lijn met de door betrokkene ingebrachte informatie van de fysiotherapeut. Later heeft hij kennis genomen van de informatie van de chirurg, dr. P.J. van Aken, gedateerd 23 september 2003, en van het rapport van dr. A.C. Vahl, vaatchirurg, gedateerd 11 maart 2005. Op basis van al deze informatie komt de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat de beperkingen van betrokkene op 20 december 2002 zijn toegenomen, maar dat ze minder erg zijn dan vanaf april 2003, toen een verslechtering in de toestand van betrokkene is opgetreden. Hij acht zowel ‘lopen’ als ‘lopen tijdens het werk’ meer beperkt dan eerder was aangenomen en acht betrokkene ook beperkt ten aanzien van ‘koude’. Ten aanzien van ‘knielen of hurken’ houdt hij vast aan dezelfde beperking als voorheen, maar vermeldt hij daarbij als toelichting: kan nog wel een pen van de grond pakken. Ook bij ‘staan’ handhaaft hij de eerder aangegeven beperking, maar vermeldt hij daarbij als toelichting: af en toe ook tot een kwartier toegestaan.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts deze bijstellingen kon doen zonder zelf betrokkene te onderzoeken. De bezwaarverzekeringsarts heeft uitgebreid dossieronderzoek gedaan en rekening gehouden met alle beschikbare informatie, zowel van de behandelende artsen van betrokkene als van de door de rechtbank ingeschakelde vaatchirurg. Hij acht betrokkene op een aantal items meer beperkt en geeft een toelichting aangaande de items ‘knielen of hurken’ en ‘staan’. De Raad wijst erop dat Vahl in zijn rapport aangeeft dat hij geen goede verklaring heeft voor een beperking voor ‘staan’. Hieruit kon de bezwaarverzekeringsarts zonder eigen onderzoek van betrokkene concluderen dat het voor betrokkene mogelijk is af en toe een kwartier te staan. De toelichting ten aanzien van ‘knielen of hurken’ valt naar het oordeel van de Raad binnen de in eerste instantie aangegeven beperking: de bezwaarverzekeringsarts is immers van mening dat betrokkene nog wel een pen van de grond kan pakken, hetgeen min of meer overeenkomt met de formulering ‘is nauwelijks in staat de grond te bereiken’. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarmee aangegeven dat er geen reden is om aan te nemen dat betrokkene in het geheel niet knielend of hurkend de grond kan bereiken. In de beschikbare medische informatie zijn geen aanknopingspunten te vinden voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie.

De Raad heeft geen redenen voor twijfel aan de juistheid van de overige in de FML opgenomen beperkingen. Met die beperkingen moet betrokkene in staat worden geacht de voor hem geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, elektronicamonteur en productiemedewerker textiel, geen kleding, te vervullen. Ten aanzien van ‘staan’ is in die functies geen sprake van enige overschrijding. Ten aanzien van ‘knielen of hurken’ overweegt de Raad dat dit in de genoemde functies incidenteel en kortdurend voorkomt. De Raad verwijst in dit verband naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 maart 2006; de hierin gegeven toelichting is naar het oordeel van de Raad voldoende.

Het feit dat betrokkene per 29 april 2003 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven in zijn rapportages van 28 april 2005 en 1 februari 2006 is vanaf april 2003 sprake van meer beperkingen dan per de datum thans in geding, 20 december 2002.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep moet ongegrond worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M. Lochs.

JL