Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7050

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
07-1315 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoekt tot herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1315 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Verzoekster] (hierna verzoekster),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 januari 2007 (04/6623 WAO),

in het geding in hoger beroep tussen:

verzoekster

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 januari 2007 (04/6623 WAO).

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2008. Verzoekster is in persoon verschenen, vergezeld door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich, met berichtgeving, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 oktober 2004 (03/3135), bevestigd, behoudens de opdracht aan het Uwv tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar. De Raad heeft daarbij overwogen dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat verzoekster de wachttijd van artikel

19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet heeft vol gemaakt.

De gemachtigde van verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld – kort weergegeven – dat sprake is van een kennelijke misslag nu de rechter, die niet medisch deskundig is, zelf de medische kwestie afdoet. Tevens stelt de gemachtigde van verzoekster dat in de uitspraak belangrijke medische feiten niet tot uitdrukking zijn gekomen en dat de rechter aldus niet bekend is geweest met deze feiten. Nu op voorhand bij verzoekster niet bekend was dat deze feiten niet in de uitspraak tot uitdrukking zouden komen, is derhalve sprake van nieuwe feiten of omstandigheden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de gemachtigde van verzoekster tevens een rapport van 21 maart 2007 van Instituut Psychosofia overgelegd.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 oktober 2003, LJN: AN7982 is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. De Raad is niet gebleken dat namens verzoekster enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, naar voren is gebracht. De door de gemachtigde van appellante aangehaalde omstandigheden kunnen niet als zodanig worden aangemaakt. Daarbij wijst de Raad er onder verwijzing naar zijn uitspraak van 7 april 1998, LJN: ZB7563, op dat noch uit artikel 8:69, noch uit artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, voortvloeit dat de Raad in zijn uitspraak op alle door partijen aangevoerde feiten en of omstandigheden heeft in te gaan.

Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om herziening dan ook te worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en H.G. Rottier en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) E. de Bree.

RJB