Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7020

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06-2216 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het houden van een jaar-/functioneringsgesprek nadat de medewerker wegens een verstoorde arbeidsverhouding met zijn direct leidinggevende is ontslagen, dient geen redelijk doel meer.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 9:6, geldigheid: 2008-03-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/121

Uitspraak

06/2216 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 februari 2006, 05/522 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van Bestuur van het Erasmus MC (hierna: Raad van Bestuur),

Datum uitspraak: 13 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Raad van Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2008. Appellant is met bericht, niet verschenen. De Raad van Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.P.E. van den Hof, werkzaam bij het Erasmus MC.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, die voordien werkzaam was geweest bij het Centraal Planbureau (hierna: CPB), was laatstelijk tot 1 januari 2005 in tijdelijke dienst aangesteld als wetenschappelijk onderzoeker bij het Erasmus MC. Eind april 2004 is appellant in conflict gekomen met het hoofd van zijn afdeling, M. Appellant had op een seminar over de stelselherziening in de gezondheidszorg aan de gastspreker een groot aantal vragen willen stellen over een kwestie die 15 jaar eerder op het CPB had gespeeld en die door appellant was ervaren als censuur. M, die tevoren een afschrift van die vragen had ontvangen, had appellant toen vriendelijk maar dringend verzocht af te zien van het stellen van die vragen, omdat die hooguit zijdelings van belang waren voor het onderwerp van het seminar. M heeft daarbij aangegeven dat het stellen van een vraag over de rol van het CPB uiteraard prima was als de inleiding daartoe aanleiding zou geven.

Omdat samenwerking tussen appellant en M nadien niet langer meer mogelijk was is appellant bij besluit van 27 juli 2004 met ingang van 1 augustus 2004 tussentijds eervol ontslagen wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Appellant heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit waarbij dat ontslag is gehandhaafd, maar dat beroep nadien ingetrokken.

1.2. Bij brief van 30 juli 2004 heeft appellant verzocht om een jaar-/functionerings-gesprek als bedoeld in de CAO Academische Ziekenhuizen (hierna: CAO-AZ). In een tweede brief van dezelfde datum heeft hij de Raad van Bestuur verzocht om een onderzoekscommissie in te stellen naar integriteitskwesties binnen het Erasmus MC en gedurende dit onderzoek het afdelingshoofd M te schorsen.

1.3. Nadat een schriftelijke reactie op dit verzoek was uitgebleven heeft appellant bij schrijven van 27 september 2004 bezwaar gemaakt tegen de kennelijke weigering een jaar-/functioneringsgesprek met hem te voeren en de kennelijke weigering om de door appellant aangekaarte kwestie omtrent de integriteit van de wetenschap bij het Erasmus MC te onderzoeken.

1.4. Bij het bestreden besluit van 16 december 2004 heeft de Raad van Bestuur, met overneming van het advies van de Bezwarenadviescommissie (hierna: Bac), de bezwaren van appellant tegen de afwijzing van het verzoek om een jaar-/functioneringsgesprek ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het voeren van een jaar-/functionerings-gesprek in dit geval niet zou beantwoorden aan het daaraan gestelde doel, te weten het evalueren van het voorafgaande jaar en afspraken maken over de toekomst, nu immers ten gevolge van het ontslag aan dat laatste niet meer toegekomen kan worden.

Het bezwaarschrift tegen de weigering om een onderzoekscommissie in te stellen heeft de Raad van Bestuur niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de Bac diende het verzoek te worden aangemerkt als een klacht en tegen de afhandeling van een klacht kan geen bezwaar en beroep worden ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om een jaar-/functioneringsgesprek niet-ontvankelijk verklaard, het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van het verzoek om een jaar-/functioneringsgesprek niet-ontvankelijk verklaard, met bepaling dat het beroepschrift wordt doorgezonden naar de Raad van Bestuur ter behandeling in zoverre als bezwaarschrift. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen, voor zover dit zich richtte op de afhandeling van de klacht inzake de (kennelijke) weigering een onderzoek in te stellen naar de integriteitskwestie en de schorsing van het afdelingshoofd.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd het navolgende.

3.1. Met betrekking tot het hoger beroep dat appellant heeft ingesteld tegen de overweging ten overvloede van de rechtbank dat appellant, nu hij zijn beroep tegen het ontslag heeft ingetrokken kennelijk ook instemt met de aan dat ontslag ten grondslag gelegde reden, is de Raad van oordeel dat deze overweging niet dragend was voor het oordeel van de rechtbank omtrent de weigering van het jaar-/functioneringsgesprek. Het hoger beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.

3.2. De Raad merkt voorts op dat de Bac het bezwaarschrift van appellant van 27 september 2004 heeft opgevat en behandeld als gericht tegen een (reële) afwijzing van het verzoek om een jaar-/functioneringsgesprek en dat de Bac heeft onderzocht of het bevoegd gezag kon en mocht overgaan tot het (kennelijk) afwijzen van dat verzoek. De Bac heeft die vraag bevestigend beantwoord en de Raad van Bestuur geadviseerd dat er geen aanleiding is het aangevochten besluit te herroepen. De Raad van Bestuur heeft dienovereenkomstig beslist en het bestreden besluit bevat geen beslissing omtrent het niet tijdig beslissen op het verzoek van 30 juli 2004.

In beroep bij de rechtbank heeft appellant de kwestie van het niet tijdig beslissen niet aan de orde gesteld. Dit betekent dat de rechtbank in zoverre buiten de omvang van het geding is getreden en dat de aangevalllen uitspraak, voor zover het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is verklaard, dient te worden vernietigd.

3.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van het verzoek om een jaar-/functioneringsgesprek niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat het beroepschrift van appellant wordt doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift. Appellant heeft dienaangaande aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het bestreden besluit is genomen na een zitting van de Bac. Ook de Raad van Bestuur heeft er in het verweerschrift op gewezen dat de Bac in haar advies zich heeft laten leiden door het gegeven dat partijen uitgingen van een reële weigering een jaar-/functioneringsgesprek te voeren en is uitvoerig inhoudelijk ingegaan op die weigering.

De Raad onderschrijft het standpunt van partijen. Appellant had het uitblijven van een schriftelijke reactie op zijn verzoek in zijn bezwaarschrift terecht opgevat als een afwijzing van zijn verzoek. De Raad kan niet inzien wat een hernieuwde inhoudelijke behandeling van het bezwaarschrift nog zou kunnen toevoegen. Het hoger beroep van appellant slaagt in zoverre en de aangevallen uitspraak kan ook in zoverre niet in stand blijven.

3.3.1. De Raad ziet geen aanleiding het geding in zoverre terug te verwijzen naar de rechtbank nu partijen aan de Raad hebben verzocht de zaak zelf af te doen en het standpunt van partijen genoegzaam uit de stukken naar voren komt. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

3.3.2. In artikel 3.3.1. van de CAO-AZ is bepaald dat de medewerker en zijn direct leidinggevende jaarlijks een gesprek voeren over de inhoud en de ontwikkeling van de arbeidsverhouding. Doel van het gesprek is het voorafgaande jaar te evalueren en afspraken te maken voor het komende jaar. De Raad onderschrijft het standpunt van de Raad van Bestuur dat het houden van een jaar-/functioneringsgesprek nadat de medewerker wegens een verstoorde arbeidsverhouding met zijn direct leidinggevende is ontslagen, geen redelijk doel meer dient. De Raad van Bestuur heeft dan ook onder die omstandigheden in redelijkheid kunnen weigeren het verzoek van appellant te honoreren. De stelling van appellant dat hij wel belang heeft bij het jaar-/functioneringsgesprek omdat het verslag als referentie kan dienen bij sollicitaties leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad onderschrijft het standpunt van de Raad van Bestuur dat appellant desgevraagd een referentie of getuigschrift kan ontvangen. Het beroep van appellant kan op dit punt niet slagen en het beroep dient in zoverre ongegrond te worden verklaard.

3.4. Met betrekking tot de weigering om over te gaan tot het instellen van een onderzoekscommissie naar de door appellant gestelde integriteitsschending door het afdelingshoofd heeft appellant in hoger beroep aangevoerd dat hij er weliswaar geen bezwaar tegen heeft als de Raad van Bestuur alsnog toepassing geeft aan de Regeling Wetenschappelijke Integriteit, maar dat dit niet afdoet aan zijn recht op bescherming als wetenschapper tegen inbreuken op de uitoefening van zijn wetenschappelijke functie. Volgens appellant moet hij op een wetenschappelijk seminar een vraag kunnen stellen aan de spreker zonder dat het afdelingshoofd (vanuit welk onbegrip of uit welke goede bedoelingen dan ook) hem daarvan probeert af te houden.

3.4.1. De Raad stelt vast dat uit de gedingstukken blijkt dat appellant een dringend advies heeft gekregen om het stellen van de voorgenomen (11) vragen achterwege te laten. De Raad ziet daarin geen besluit waardoor appellant in zijn rechtspositie is getroffen, maar een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen dat niet vatbaar is voor bezwaar en beroep.

Appellant heeft voorts bij de hoorzitting van de Bac expliciet verklaard dat hij met zijn verzoek van 30 juli 2004 beoogde een klacht in te dienen bij de decaan tegen zijn afdelingshoofd. In artikel 9:6 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat tegen een beslissing met betrekking tot de afhandeling van een klacht, geen bezwaar of beroep mogelijk is.

Dat appellant op dat moment de bestaande klachtregelingen niet kende kan er niet aan afdoen dat de Raad van Bestuur het verzoek van appellant terecht heeft opgevat als een klacht en dat een klacht op de daarvoor geëigende wijze dient te worden afgehandeld. De Raad van Bestuur heeft dan ook terecht het bezwaar van appellant tegen de beslissing om niet over te gaan tot het instellen van een onderzoekscommissie, niet-ontvankelijk verklaard.

3.4.2. Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt dat zij met de Raad van Bestuur van oordeel is dat het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Dit betekent echter dat de rechtbank tot het oordeel had moeten komen dat het beroep van appellant tegen dit onderdeel van het bestreden besluit niet kon slagen en ongegrond moest worden verklaard. Het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen de weigering een onderzoekscommissie in te stellen niet-ontvankelijk is verklaard, is immers een beslissing op bezwaar waartegen appellant bij de bestuursrechter beroep kan instellen. Ook in zoverre kan de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard, geen stand houden en dient deze te worden vernietigd.

4. Al het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd en dat het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.

5. Van proceskosten in hoger beroep is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de in 3.1. genoemde overweging ten overvloede;

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Bepaalt dat het Erasmus MC aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 211,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en M.C. Bruning en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD