Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7007

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06-1599 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong/AAW-uitkering toe te kennen. Medische grondslag juist? Geduide functies binnen belastbaarheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1599 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2006, 02/5505

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nadere reactie van de bezwaarverzekeringsarts ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2008. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn schoonvader, [Z.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Op 18 oktober 2000 heeft appellant, geboren [in] 1962, een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd omdat hij sinds 1978 arbeidsongeschikt zou zijn.

Bij besluit van 3 mei 2001 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een Wajong-uitkering toe te kennen omdat hij op en na 11 februari 1980 minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 14 november 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit op onjuiste medische informatie is gebaseerd nu zowel de orthopedisch chirurg dr. I.J. Hololtcheff als de psychiater M.L. Stek – die beiden op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv omtrent appellant hebben gerapporteerd – hebben vastgesteld dat in 1980 reeds sprake was van het eerst later vastgestelde sarcoom van Ewing en dat dit een rol van betekenis moet hebben gespeeld bij de arbeidscapaciteit ten tijde in geding. Deze gegevens hadden moeten leiden tot een bijstelling van de belastbaarheid. Daarbij acht appellant tevens van belang dat de sociale dienst van Amsterdam hem in 1999 volledig arbeidsongeschikt heeft verklaard en dat de verzekeringsarts van het Uwv in 2001 heeft vastgesteld dat hij niet meer dan 3 uur per dag fysiek kan worden belast.

De Raad overweegt als volgt.

Ten aanzien van de weigering appellant een uitkering ingevolge de Wajong vanwege op 11 februari 1980 bestaande arbeidsongeschiktheid toe te kennen overweegt de Raad in de eerste plaats dat deze weigering, inhoudelijk gezien beoordeeld dient te worden aan de hand van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), zoals deze luidden op de datum in geding.

De Raad ziet in hetgeen appellant, onder verwijzing naar de rapportages van de orthopedisch chirurg en de psychiater, naar voren heeft gebracht geen aanleiding het bestreden besluit in medisch opzicht voor onjuist te houden.

Allereerst stelt de Raad vast dat er sprake is van een voldoende volledig en zorgvuldig onderzoek. Daartoe overweegt de Raad dat de verzekeringsarts dossierstudie heeft verricht en dat hij appellant heeft onderzocht. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts de door appellant in bezwaar ingebrachte medische informatie van de radiotherapeut, de orthopeed, de revalidatiearts en de huisarts, en de op zijn verzoek door de hiervoor genoemde orthopedisch chirurg en de psychiater uitgebrachte expertiserapporten, bij zijn oordeelsvorming betrokken. Dit heeft er toe geleid dat de bezwaarverzekeringsarts het belastbaarheidspatroon heeft bijgesteld en appellant per 11 februari 1980 psychisch meer beperkt heeft geacht.

De Raad stelt voorts vast dat zowel de orthopedisch chirurg als de psychiater appellants gezondheidstoestand hebben beoordeeld zoals die was op de datum hier in geding,

11 februari 1980.

Uit het rapport van de orthopedisch chirurg en de daarop in beroep gegeven nadere reactie blijkt weliswaar dat deze van oordeel is dat er reeds in 1980 sprake moet zijn geweest van het Ewing-sarcoom, maar blijkt daaruit tevens dat hem uit de ter beschikking staande stukken niet is gebleken dat er bij appellant op dat moment aanwijsbare beperkingen bestonden ten aanzien van de orthopedische belastbaarheid.

Uit het rapport van de psychiater blijkt dat deze het aannemelijk acht dat ten tijde in geding bij appellant sprake was van contactproblematiek en dat er dientengevolge beperkingen bestonden ten aanzien van samenwerking met leidinggevenden en collega’s op een werkplek en dat er eisen gesteld dienen te worden aan de aard en aansturing van het werk. Hoge tempodruk, wisselende functie-eisen en een groot beroep op flexibiliteit lijken de psychiater niet verenigbaar met appellants vermoedelijke psychische beperkingen. Daarbij heeft hij evenzo aannemelijk geacht dat de contactproblematiek beslist niet leidde tot een volledig onvermogen tot functioneren op een werkplek waarmee hier rekening werd gehouden.

Gelet hierop heeft de Raad geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er bij appellant op de datum hier in geding sprake is van tot objectiveerbare gronden te herleiden medische beperkingen voor het verrichten van arbeid welke verder gaan dan de beperkingen zoals weergegeven in het door de bezwaarverzekeringsarts op 7 augustus 2002 aangescherpte belastbaarheidspatroon dat aan de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag ligt. Dat de sociale dienst van Amsterdam appellant op basis van de informatie van de bedrijfsarts in 1999 volledig arbeidsongeschikt heeft geacht, doet hier niet aan af. Ontwikkelingen in appellants gezondheid die dateren van na 11 februari 1980 kunnen in de onderhavige procedure, waarin uitsluitend de datum 11 februari 1980 ter beoordeling voorligt, geen rol spelen. Datzelfde geldt voor het oordeel van de verzekeringsarts dat voor appellant per 18 januari 2001 een maximale duurbelasting van 3 uur per dag van toepassing is.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat de geduide functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van appellant te liggen.

Uit het vorenstaande volgt dat appellant op de datum in geding terecht niet als arbeidsongeschikt in de zin van de AAW kan worden beschouwd en het Uwv eveneens terecht heeft geweigerd appellant een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) S. Sweep.

JL