Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6985

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
07-1966 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zelfstandig fysiotherapeut: bij de vaststelling van de grondslag moet rekening gehouden worden met het meest vergelijkbare beroep in Nederland, alsmede met vakopleiding, bekwaamheid en andere factoren welke daarbij van belang kunnen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1966 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], Israël, (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 6 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 14 december 2006, kenmerk JZ/I/60/2006 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2008. Appellante is daar, met voorafgaand bericht, niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1955, is in 1993 met toepassing van artikel 3, tweede lid, oud, van de Wet als zogenoemd tweede generatie oorlogsslachtoffer gelijkgesteld met de vervolgde. Hierbij is aanvaard dat appellante psychische klachten heeft welke door of in verband met de vervolgingsomstandigheden van haar ouders zijn ontstaan of verergerd. Aan haar is toen, ingaande 1 december 1991, onder meer het bedrag ter tegemoetkoming in niet meetbare invaliditeitskosten (hierna: NMIK) als bedoeld in artikel 21b, oud, van de Wet toegekend.

1.2. In februari 2005 heeft appellante een aanvraag ingediend om, onder meer, toekenning van een periodieke uitkering, aanvoerende dat zij vanwege haar psychische klachten en inmiddels opgetreden huidklachten in toenemende mate wordt gehinderd bij de uitoefening van haar beroep als zelfstandig fysiotherapeut.

1.3. Bij het, na bezwaar genomen, bestreden besluit heeft verweerster deze aanvraag in zoverre gehonoreerd dat aan appellante vanwege causale psychische klachten het recht op een periodieke uitkering is toegekend naar een grondslag van € 2.299,- per maand, gebaseerd op het inkomen uit haar beroep van zelfstandig fysiotherapeut. Aangezien in de berekening van verweerster de op de periodieke uitkering in mindering te brengen inkomsten van appellante - afkomstig uit de nog resterende beroepsuitoefening en uit vermogen - dermate hoog zijn dat de periodieke uitkering niet tot uitbetaling kan komen, heeft verweerster de gevraagde periodieke uitkering geweigerd en de NMIK gehand-haafd, omdat dit voor appellante gunstiger is.

Bij de vaststelling van de genoemde grondslag is verweerster afgegaan op een door haar bij MKB Adviseurs te Delft ingewonnen advies van 17 november 2006. In dit advies is - in aanmerking genomen dat geen betrouwbare gegevens voorhanden zijn over de winstgevendheid van praktijken voor fysiotherapie in Nederland en in Israël - op basis van het daadwerkelijke inkomen van appellante in 2004 en 2005 en de verhouding tussen het gemiddelde jaarinkomen van een fysiotherapeut in loondienst in Israël en in Nederland geconcludeerd dat de nettowinst die appellante met een vergelijkbaar bedrijf in Nederland zou kunnen behalen voor 2005 is te bepalen op € 24.048,-.

1.4. In beroep heeft appellante aangevoerd dat verweerster bij de grondslagbepaling ten onrechte niet is uitgegaan van haar feitelijke beroep als zelfstandig fysiotherapeut, in welk beroep naar haar mening gemiddeld een hoger jaarinkomen wordt verworven dan als fysiotherapeut in loondienst. Appellante heeft hierbij onder meer verwezen naar door het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) aan haar bij brief van 4 april 2007 verstrekte gegevens over de inkomens van zelfstandige fysiotherapeuten en fysiotherapeuten in loondienst.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 8, derde lid onder a, van de Wet, wordt ingeval van beroeps- of bedrijfsuitoefening buiten Nederland bij de vaststelling van de grondslag rekening gehouden met het meest vergelijkbare beroep in Nederland, alsmede met vakopleiding, bekwaamheid en andere factoren welke daarbij van belang kunnen zijn.

Voor het geval van appellante betekent dit dat bij de bepaling van de grondslag primair uitgegaan dient te worden van het inkomen dat appellante als zelfstandig fysiotherapeut in Nederland had kunnen verdienen.

2.2. Verweerster meent, gelet ook op de ter zitting nog gegeven toelichting, dat de onder 2.1. genoemde hoofdregel van artikel 8, derde lid onder a, van de Wet hier geen directe toepassing kan vinden, gezien de bevinding van MKB Adviseurs dat geen betrouwbare inkomensgegevens over zelfstandige fysiotherapeuten beschikbaar zijn. Daarom heeft de grondslagvaststelling op indirecte wijze aan de hand van wel bekende gegevens, zoals de feitelijk in Israël genoten inkomsten, moeten plaatsvinden.

2.3. Mede gelet op de door appellante in beroep ingezonden gegevens van het KNGF, waarin aanknopingspunten zijn vermeld voor de berekening van de inkomens van zowel zelfstandig fysiotherapeuten als van fysiotherapeuten in loondienst, is de Raad van oordeel dat het onder 2.2. weergegeven standpunt van verweerster berust op een onderbouwing die onvoldoende is om afwijking van de onder 2.1. geformuleerde wettelijke hoofdregel te kunnen dragen. Hierbij is ook in aanmerking genomen dat blijkens het advies van MKB Adviseurs is volstaan met het raadplegen van algemene internetwebsites (van de Economische Voorlichtingsdienst en van Salaryexpert) en dat er geen (kenbaar) contact is geweest met enige beroepsorganisatie van fysiotherapeuten. Daarbij komt nog dat geen gegevens over aard en omvang van de praktijk van appellante beschikbaar zijn.

2.4. Gezien hetgeen onder 2.3. is overwogen komt het bestreden besluit, voor zover betreffende de grondslagvaststelling en de daaruit voortvloeiende weigering van de gevraagde periodieke uitkering, wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

3. De Raad acht, ten slotte, niet gebleken van proceskosten die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit, voor zover betreffende de grondslagvaststelling en de daaruit voortvloeiende weigering van een periodieke uitkering;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD

11.02