Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06-5359 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag anders dan wegens ziekte of gebrek. Verslag functioneren deugdelijk onderbouwd? Kwantitatieve tekortkomingen. Voldoende verbeterkansen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5359 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 augustus 2006, 06/1814 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel (hierna: college)

Datum uitspraak: 6 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.A.H.M. Albrecht. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P.F. van Duren, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is met ingang van 1 september 1998 aangesteld bij de gemeente Gemert-Bakel als [[naam afdeling]j de afdeling [naam afdeling]. In 2002 zijn door de leidinggevende van appellant tekortkomingen in diens wijze van functioneren vastgesteld en is een verbetertraject ingezet. Eind 2002 is appellant over het jaar 2002 beoordeeld en in augustus 2003 is een outplacementtraject gestart. Eind november 2003 heeft het hoofd van de afdeling [naam afdeling] aan appellant meegedeeld dat hij nog altijd onvoldoende functioneert.

1.2. Bij brief van 8 april 2004 heeft het college appellant in kennis gesteld van het voornemen hem met ingang van 1 mei 2004 met toepassing van artikel 8:6 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) eervol ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor zijn functie anders dan door ziekte of gebreken, waartegen schriftelijk bedenkingen zijn ingebracht. Bij besluit van 25 mei 2004 is met ingang van 1 juni 2004 op deze grond ontslag verleend aan appellant, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij het besluit van 1 december 2004 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

3.1. Appellant heeft aangevoerd dat de in 2002 opgemaakte beoordeling onvolledig is en dat deze niet (op de juiste wijze) is vastgesteld, zodat deze niet als basis kan dienen voor het ontslag. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Appellant heeft volstaan met het inbrengen van bedenkingen tegen de voorgenomen beoordeling, maar heeft het maken van bezwaar tegen de naderhand vastgestelde beoordeling achterwege gelaten. De Raad neemt dus evenals de rechtbank deze in rechte vaststaande beoordeling als uitgangspunt.

3.2. Gezien de inhoud van deze beoordeling, in samenhang met de zich onder de gedingstukken bevindende verslagen van gesprekken waarin het functioneren van appellant is besproken, waaronder een verslag van een op 28 januari 2002 gehouden functioneringsgesprek, is naar het oordeel van de Raad voldoende deugdelijk onder-bouwd dat appellant op belangrijke onderdelen van zijn functie tekortschoot. Dit betrof met name het plannen van de werkzaamheden en het stellen van prioriteiten, waardoor het werk van appellant in kwantitatief opzicht tekortschoot. Van de zijde van het college zijn in de gedingstukken diverse concrete voorbeelden genoemd van zaken die hierdoor niet goed gingen. De Raad kan appellant niet volgen in zijn visie dat deze voorbeelden slechts kleine foutjes in de dagelijkse werkzaamheden betroffen. Het totale beeld dat uit de gedingstukken naar voren komt is op dit punt eenduidig. Dat enkele stukken achteraf zijn opgemaakt kan hieraan niet afdoen.

3.3. Vanaf september 2002 hebben er vrijwel wekelijks werkbesprekingen plaats-gevonden tussen appellant en zijn leidinggevende om tot een goede planning van de werkzaamheden van appellant te komen. Appellant heeft blijkens het ook door hem goedgekeurde verslag van het gesprek met zijn leidinggevende op 10 oktober 2002 erkend dat zijn wijze van functioneren nog steeds gebreken vertoonde en heeft ingestemd met een intensief verbetertraject. Tijdens dit traject is aan appellant meermalen verzocht om binnen een bepaalde termijn een stappenplan te maken om tot verbetering van het functioneren te komen, hetgeen door appellant meermalen ook is toegezegd. Die afspraak is hij echter niet nagekomen. De grief van appellant dat hij dit niet heeft gedaan omdat hem niet was verteld hoe zo’n stappenplan er zou moeten uitzien treft geen doel. Gezien het niveau van de functie van appellant had hij dan het initiatief moeten nemen om hierover eventueel overleg te plegen met zijn leidinggevende of een personeels-functionaris. Het zonder nader overleg achterwege laten van het opstellen van een dergelijk plan is appellant terecht aangerekend.

3.4. Mede gezien hetgeen onder 3.3. is overwogen, volgt de Raad appellant niet in zijn grief dat aan hem onvoldoende verbeterkansen zijn geboden. Blijkens de gedingstukken hebben de extra werkbesprekingen en het verbetertraject van een jaar onvoldoende resultaat opgeleverd en is vanaf medio 2003 de nadruk gelegd op een outplacement-traject. Dit laatste is met instemming van appellant gebeurd, mede omdat hij te kennen had gegeven andersoortig werk te ambiëren, buiten de organisatie van de gemeente.

3.5. De Raad volgt dan ook de rechtbank in het oordeel dat het college de ongeschiktheid van appellant voor zijn functie voldoende heeft onderbouwd en dat de wijze waarop het college gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om appellant op deze grond ontslag te verlenen de rechterlijke toets kan doorstaan. De aangevallen uitspraak komt dus voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) K. Moaddine.

HD