Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6924

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
06-2224 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. Medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2224 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 maart 2006, 05/735 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008. Namens appellante is verschenen mr. Van der Wal, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door T. Hollander.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is in oktober 1991 met whiplashklachten ten gevolge van een auto-ongeval uitgevallen voor haar werkzaamheden als zelfstandig exploitant van een wasserij/stomerij. In verband hiermee is zij met ingang van 24 oktober 1992 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 1 januari 1998 is deze uitkering verleend krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

Bij het bestreden besluit van 14 april 2005 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 november 2004, strekkende tot intrekking van haar WAZ-uitkering met ingang van 3 januari 2005 op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 25%.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant houdt in hoger beroep haar grieven tegen het bestreden besluit staande. Deze richten zich tegen de medische grondslag van dat besluit, en komen, naar door de gemachtigde van appellante ter zitting desgevraagd is verklaard, uitsluitend hierop neer dat appellante - primair - de mening is toegedaan dat zij vanwege haar lichamelijke en cognitieve problemen nog immer, gelijk ook steeds tot aan de datum in geding is aangenomen, geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft tot het verrichten van arbeid. Voor het geval er toch van zou moeten worden uitgegaan dat weer sprake is van een zeker duurzaam arbeidsvermogen, geldt volgens appellante subsidiair dat dan in elk geval een forse urenbeperking is aangewezen.

De Raad ziet deze grieven in navolging van de rechtbank niet slagen.

De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de verzekeringsartsen een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de gezondheidssituatie van appellante, waarvan deel uitmaakte het inwinnen van informatie bij haar behandelend artsen, met name revalidatiearts dr. A.M. Boonstra en neuroloog J. Kuipers-Upmeijer.

De Raad heeft in het licht van het geheel van de aldus omtrent appellante beschikbaar gekomen medische gegevens geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsartsen dat niet is kunnen blijken van toereikende medische gronden voor het oordeel dat appellante op en na de datum in geding - nog immer - niet beschikt over duurzaam te benutten arbeidsmogelijkheden. Datzelfde geldt voor het oordeel dat appellante slechts in staat zou zijn tot het verrichten van arbeid gedurende een beperkt deel van de dag en week. Uit de omtrent appellante beschikbare medische informatie, daarbij inbegrepen de informatie afkomstig van de haar behandelend artsen, als hiervoor genoemd, blijkt niet van een aantoonbare lichamelijke en/of psychische aandoening bij appellante die in objectief-medische zin een verklaring zou kunnen vormen voor de ernst van haar lichamelijke en cognitieve klachten.

Ter ondersteuning van haar eigen opvatting heeft appellante erop doen wijzen dat zij inmiddels als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA) is aangemerkt, dat haar door de gemeente Smallingerland in het kader van de haar toegekende bijstandsuitkering vrijstelling is verleend van de plicht tot solliciteren en dat het Centrum Indicatiestelling Zorg een indicatie voor haar heeft gesteld voor huishoudelijke hulp en ondersteunende begeleiding. De Raad ziet hierin evenwel onvoldoende aanleiding voor een andersluidend oordeel. Ervan afgezien dat onderliggende medische rapporten die inzicht zouden kunnen bieden in de medische afwegingen die tot bedoelde beoordelingen hebben geleid, ontbreken, wijst de Raad erop dat bij bedoelde beoordelingen andere criteria worden aangelegd dan de criteria die van belang zijn bij de vraag naar aanwezigheid en mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAZ.

Het hoger beroep van appellante slaagt om die reden niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R. Kruisdijk als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

JL