Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6899

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
07-2860 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet is gebleken dat betrokkene tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2008/114

Uitspraak

07/2860 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (Verenigde Staten), hierna: appellant,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, hierna: verweerster,

Datum uitspraak: 6 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 4 augustus 2006, kenmerk JZ/W60/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2008. Appellant is in persoon verschenen en gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1936 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft op 30 november 2004 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wet. In dat verband heeft appellant aangevoerd dat hij tijdens de Japanse bezetting van het voormalig Nederlands-Indië en aansluitend in de zogenoemde Bersiap-periode geïnterneerd is geweest in eigen huis en in diverse kampen en dat hij getuige is geweest van vele wreedheden. Voorts acht appellant gelijkstelling met de vervolgde op zijn plaats in verband met het overlijden van zijn vader als gevolg van mishandelingen door de Japanse bezetter.

1.2. Bij besluit van 21 juni 2005 heeft verweerster die aanvraag afgewezen op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant door de Japanse bezettende macht van zijn vrijheid beroofd is geweest, zodat geen sprake was van vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet. Verder vormden de door appellant ondervonden oorlogsomstandigheden geen aanleiding om op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet tot gelijkstelling met de vervolgde over te gaan. Dit besluit is na bezwaar bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1.1. In artikel 2 van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door de vijandelijke bezettende macht van het voormalig Nederland-Indië werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing, dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, en hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.

2.1.2. Op grond van de beschikbare gegevens moet de Raad met verweerster vaststellen dat niet is gebleken dat appellant tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan. Naar aanleiding van het door appellant gemaakte bezwaar heeft verweerster opnieuw onderzocht of in de door appellant aangegeven verblijfplaatsen tijdens de Japanse bezetting sprake was van vrijheidsberoving zoals hiervoor omschreven. Hiertoe zijn tevens de gegevens van de broers en zusters van appellant geraadpleegd, waaronder ook een rapportage van het Informatiebureau van het Rode Kruis. Verweerster heeft naar het oordeel van de Raad een voldoende zorgvuldig onderzoek ingesteld, waarbij geen objectieve gegevens naar voren zijn gekomen die aantonen dat sprake is geweest van vrijheidsberoving in de zin van de Wet. Hiervan was wel sprake tijdens de zogenoemde Bersiap-periode, maar deze valt niet onder de werking van de Wet.

2.2.1. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster onder meer bevoegd om met de vervolgde gelijk te stellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 verkeerde in omstandigheden die overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat de Raad dient na te gaan of gezegd moet worden dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel of het bestreden besluit overigens in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel.

2.2.2. Verweerster pleegt met vervolging op één lijn te stellen de omstandigheid dat een ouder met wie de aanvrager in gezinsverband samen leefde, tijdens de oorlogsjaren ten gevolge van vervolging is overleden.

2.2.3. Verweerster heeft in het geval van appellant geweigerd van haar bevoegdheid tot gelijkstelling gebruik te maken, omdat naar haar oordeel niet kan worden vastgesteld dat de vader van appellant door vervolging is overleden. De Raad stelt vast dat uit de voor-handen zijnde gegevens wel blijkt dat de vader van appellant meermalen is mishandeld door de Japanners. De oorzaak van zijn overlijden in december 1944 komt echter niet eenduidig uit de verklaringen van de zussen en broer van appellant naar voren. Naast de mishandeling worden als oorzaak van het overlijden genoemd ondervoeding, gebrek aan medicijnen en dysenterie. Gezien die uiteenlopende verklaringen heeft verweerster in redelijkheid kunnen beslissen geen gebruik te maken van de onder 2.2.1. omschreven bevoegdheid, op de grond dat onvoldoende objectieve gegevens aanwezig waren om de oorlogsomstandigheden van appellant gelijk te stellen met vervolging in de zin van de Wet.

3. Gezien het voorgaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.J.H. van Baalen.