Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6896

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
07-3827 CSV + 07-4357 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en prostituées.

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 3
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 3
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/160

Uitspraak

07/3827 CSV

07/4357 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 9 mei 2007, 06/3624 en 06/4146 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 13 maart 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. A. Biharie hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2008. Appellant is in persoon verschenen bijgestaan door drs. Biharie, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E. Kuipers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Bij besluiten van 14 februari 2006 en 12 mei 2006 heeft het Uwv over de jaren 2001 tot en met 2005 correctienota’s aan appellant opgelegd en bij besluiten van 9 maart 2006 boetenota’s over de jaren 2001, 2002 en 2004. Bij besluiten van 6 juli 2006 heeft het Uwv de door appellant gemaakte bezwaren gericht tegen voornoemde nota’s ongegrond verklaard. Bij deze besluiten heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de betrokken prostituées op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringen, in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding tot appellant werkzaam zijn geweest en dat de boetenota’s op goede gronden zijn vastgesteld op 7,5% van het verschuldigde bedrag aan premie.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar haar uitspraak van 2 juni 2005, met kenmerk 04/108 en 04/235, geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en de prostituées en daarmee verzekeringsplicht in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Ten aanzien van de opgelegde boetes heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv op grond van artikel 12 van de CSV gehouden was boetes op te leggen. Daarbij heeft de rechtbank aangetekend zich te kunnen verenigen met hetgeen het UWV op dit punt heeft overwogen in het bestreden besluit.

Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft daartoe - kort weergegeven - aangevoerd dat de overwegingen, op grond waarvan de rechtbank met haar eerdere uitspraak van 2 juni 2005 tot de conclusie is gekomen dat er sprake was van verzekeringsplicht, geen stand kunnen houden. Naar de mening van appellant heeft de rechtbank de feiten en omstandigheden met betrekking tot de dames [A.] en [B.] onjuist gekwalificeerd met als gevolg dat ten aanzien van de overige dames die bij appellant werkzaam zijn geweest ten onrechte verzekeringsplicht is vastgesteld. Appellant verkeerde dan ook in de veronderstelling dat de verplichting tot het doen van opgave conform artikel 10, tweede lid, van de CSV niet aanwezig was en dat er derhalve geen grondslag heeft bestaan voor het opleggen van boetenota’s.

De Raad overweegt het volgende op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting.

De rechtbank heeft bij zijn uitspraak van 2 juni 2005 geoordeeld omtrent de arbeidsverhouding tussen appellant en de bij appellant werkzame prostituées. Het hoger beroep gericht tegen die uitspraak is door de Raad bij uitspraak van 13 oktober 2005 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uit een nader, in juni 2005, gehouden boekenonderzoek bleek dat er voor appellant sedert 2001 meerdere prostituées op dezelfde wijze als de dames [A.] en [B.] werkzaam zijn geweest. Dit heeft geresulteerd in de in dit geding opgelegde correctie- en boetenota’s. Met het onderhavig hoger beroep, gericht tegen voormelde nota’s, beoogt appellant feitelijk de reeds vastgestelde arbeidsverhouding tussen hem en de prostituées hernieuwd aan de orde te stellen. Hoewel deze procedure handelt over andere dames dan de dames [A.] en [B.] is wel dezelfde, reeds beoordeelde arbeidsverhouding aan de orde. Naar het oordeel van de Raad staat dan ook met de uitspraak van de rechtbank van 2 juni 2005 de arbeidsverhouding tussen appellant en de prostituées vast, zodat die arbeidsverhouding niet meer in onderhavige procedure aan de orde gesteld kan worden. De Raad tekent daarbij aan dat hem niet is gebleken dat de overige prostituées op ander condities werkzaam zijn geweest dan de dames [A.] en [B.], terwijl appellant zowel bij de rechtbank als ter zitting van de Raad desgevraagd heeft verklaard dat de bedrijfsvoering niet is gewijzigd, althans niet ten tijde hier van belang.

Met betrekking tot de opgelegde boetenota’s overweegt de Raad dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen zoals bedoeld in artikel 10 van de CSV en de daarop gebaseerde nadere regelgeving. In beginsel volgt hieruit dat het Uwv gehouden is aan appellant een verhoging dan wel een boete op te leggen. Het enkele feit dat naar de mening van appellant het Uwv een onjuist standpunt ten aanzien van de verzekeringsplicht heeft ingenomen maakt niet - naar de Raad de grieven van appellant begrijpt - dat daarmee van een pleitbaar standpunt gesproken kan worden. Derhalve zijn naar het oordeel van de Raad ook de boetenota’s op juiste gronden en naar een juiste hoogte aan appellant opgelegd.

Met betrekking tot het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel merkt de Raad op dat hem niet gebleken is dat na de beoordeling van de arbeidsverhouding tussen appellant en de dames [A.] en [B.] aan appellant schriftelijk en ongeclausuleerd mededelingen zijn gedaan waaraan appellant het vertrouwen mocht ontlenen dat hem met betrekking tot de overige voor appellant werkzame prostituées geen correctienota’s en/of boetenota’s meer zouden worden opgelegd.

Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

IJ100308