Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6895

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
07-5575 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Privaatrechtelijke dienstbetrekking: gezagsverhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/5575 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 augustus 2007, 06/6430 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 13 maart 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. G.B.M. Zuidgeest, advocaat te Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2008. Voor appellante is verschenen haar directeur [naam directeur appellante], bijgestaan door mr. Zuidgeest, voornoemd, en [betrokkene]. Het Uwv is met voorafgaand schriftelijk bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals die luidden ten tijde in geding.

De activiteiten van appellante bestaan uit het verrichten van diensten op het gebied van de makelaardij in met name horecabedrijven, onroerende- en roerende goederen, in hoofdzaak horeca-inventarissen en aanverwante inventarissen. Het bestuur wordt gevormd door directeur [naam directeur appellante], die middels [naam holding] alle aandelen van appellante bezit.

Naar aanleiding van een bij appellante uitgevoerde looncontrole heeft het Uwv voor [betrokk[betrokkene] (hierna: betrokkenen) verzekeringsplicht aangenomen op grond van artikel 3 van de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Bij besluiten van 17 oktober 2005 heeft het Uwv correctienota’s opgelegd over de jaren 2000 tot en met 2003 en bij besluiten van 15 februari 2006 heeft het Uwv boetnota’s over de jaren 2001 tot en met 2003 opgelegd. Bij besluit van 15 juni 2006 heeft het Uwv de namens appellante gemaakte bezwaren tegen voormelde nota’s ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen in confesso is dat is voldaan aan twee van de vereisten voor de aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting en de loonbetalingsverplichting.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat tussen appellante en betrokkenen contractueel overeengekomen werkzaamheden naar doelomschrijving en naar aard en inhoud duidelijk liggen op het terrein van de bedrijfsvoering van appellante en voor de instandhouding van die bedrijfsvoering essentieel te achten zijn. Betrokkenen beschikken over een grote horeca-ervaring en een goed netwerk en zijn door appellante benaderd en ingezet ter vergroting van haar bedrijfscapaciteit. Daarbij betreft het representatieve en substantiële kernactiviteiten van het makelaarsbedrijf van appellante ten aanzien waarvan het niet wel denkbaar is dat appellante die met het oog op een commercieel verantwoorde bedrijfsvoering geheel zonder aanwijzingen of zonder controle zou laten. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee het derde element van een privaatrechtelijk dienstbetrekking, de gezagsrelatie, voldoende vast komen te staan, zodat het Uwv betrokkenen terecht als verplicht verzekerd ingevolge artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten heeft aangemerkt.

Met betrekking tot de opgelegde boeten heeft de rechtbank overwogen dat hiertegen geen gronden zijn aangedragen, zodat dit onderdeel van het bestreden besluit in stand blijft.

Appellante kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en betwist dat er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen haar en betrokkenen. Partijen hebben niet beoogd een arbeidsverhouding met elkaar aan te gaan en ook ontbreekt het aan bijvoorbeeld de opbouw van vakantiedagen, uitbetaling van vakantietoeslag, doorbetaling van loon bij ongeschiktheid tot werken, pensioendeelname en deelname aan de spaarloonregeling. Appellante meent dat tussen haar en betrokkenen sprake is van een overeenkomst van opdracht en dat het buiten deze specifieke opdracht om ontbreekt aan de mogelijkheid tot het geven van aanwijzingen, of om gezag uit te oefenen.

Anders dan de rechtbank stelt appellante zich op het standpunt dat de activiteiten van betrokkenen niet liggen op het terrein van haar bedrijfsvoering, dan wel dat die activiteiten essentieel zijn te achten voor de instandhouding van die bedrijfsvoering. Betrokkenen, met name [betrokkene], verrichten de representatieve activiteiten op persoonlijke titel, terwijl Smithuis zich met klantentevredenheidsonderzoeken bezig houdt.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad kan zich vinden in het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen en in de overwegingen die de rechtbank daartoe heeft gebezigd. De Raad voegt hieraan nog het volgende toe.

Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of er sprake is van een gezagsverhouding. Met betrekking tot die gezagsverhouding overweegt de Raad dat hiervan blijkens zijn jurisprudentie sprake is indien door de vermeende werkgever aanwijzingen en instructies kunnen worden gegeven. In een situatie als de onderhavige waarin de werkzaamheden van betrokkenen, voor zover die zien op het verwerven van opdrachten ten behoeve van appellante, behoren tot de kernactiviteiten van appellante, is de Raad van oordeel dat het ontbreken van werkgeversgezag ten aanzien van degene die deze werkzaamheden uitvoert, niet aannemelijk is. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat appellante werkgeversgezag over betrokkenen kan uitoefenen al heeft zich dat wellicht in de praktijk niet of nauwelijks voorgedaan en ervaren appellante en betrokkenen dat niet zo. Dat betrokkenen hun werkzaamheden met een grote mate van zelfstandigheid verrichten, past bij de aard van hun functie en doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van appellante om opdrachten en aanwijzingen te geven indien dat nodig is.

In tegenstelling tot hetgeen appellante in hoger beroep heeft opgemerkt met betrekking tot haar kernactiviteit in relatie tot de werkzaamheden van betrokkenen is de Raad van oordeel dat met name de activiteiten van [betrokkene], die zich afficheert als senior-consultant van appellante met daarbij behorende visitekaartjes, gericht zijn op acquisitie van opdrachten ten behoeve van appellante en derhalve behoren tot de kernactiviteiten van appellante. Dat [betrokkene] de uitnodigingen voor de representatieve bijeenkomsten, die feitelijk voortvloeien uit andere beklede functies, veelal ontvangt op persoonlijke titel, kan daaraan niet afdoen.

Ter zitting van de Raad is met nadruk naar voren gebracht dat de feitelijke activiteiten van Smithuis enerzijds sterk zijn gaan afwijken van de werkzaamheden van [betrokkene] en anderzijds van de oorspronkelijk op papier overeengekomen en beoogde werkzaamheden, aangezien Smithuis zich voornamelijk is gaan bezig houden met het klantentevredenheidsonderzoek. De Raad merkt hierover op dat Smithuis die werkzaamheden veelal ten kantore van appellante, met de daarbij behorende faciliteiten en met gebruikmaking van standaardformulieren, verricht. Los van de vraag of het klantentevredenheidsonderzoek tot de kerntaak van appellante behoort is de Raad van oordeel dat Smithuis, gelet op de gehele setting waarin hij zijn werkzaamheden met betrekking tot het klantentevredenheidsonderzoek verricht, onder gezag van appellante staat.

Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

IJ100308