Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6888

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
07-908 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag niet in behandeling genomen. Niet met zekerheid valt vast te stellen dat betrokkene tijdig van de inhoud van de brief op de hoogte was dan wel kon zijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5, geldigheid: 2008-03-11
Algemene wet bestuursrecht 4:5, geldigheid: 2008-03-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/154

Uitspraak

07/908 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 januari 2007, 06/3971 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. van Vliet, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vliet. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M.R. van Maaren, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 28 december 2005 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij brief van 17 januari 2006 wordt appellant uitgenodigd voor een intakegesprek op 19 januari 2006 met het verzoek een aantal stukken mee te brengen. Appellant is daar verschenen en heeft de door het College genoemde stukken meegebracht. Vervolgens heeft het College bij brief van 14 februari 2006 appellant uitgenodigd voor een gesprek op 18 januari 2006 en hem verzocht het aankoop- en betaalbewijs van een auto met het kenteken [kentekennr.] mee te nemen. Op 14 februari 2006 deelt appellant telefonisch aan het College mee dat hij dat aankoopbewijs niet kan leveren omdat die auto van een vriendin is die deze voor hem heeft aangeschaft. Vervolgens is bij besluit van 16 februari 2006 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag om bijstand buiten behandeling gesteld, hierbij overwegende dat bij brief van 14 februari 2006 is verzocht de ontbrekende gegevens uiterlijk op 15 februari 2006 in te leveren aan welk verzoek appellant niet heeft voldaan.

Appellant heeft tegen het besluit van 16 februari 2006 bezwaar gemaakt. Hangende dit bezwaar heeft het College bij besluit van 26 april 2006 het besluit van 16 februari 2006 ingetrokken omdat in de brief van 14 februari 2006 een foutieve uitnodigingsdatum stond vermeld. Vervolgens is bij besluit van 2 mei 2006 het bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het besluit van 2 mei 2006 heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

Op 26 april 2006 heeft het College appellant nogmaals verzocht het aankoop- en betaalbewijs van de auto met het kenteken [kentekennr.] in te leveren, waarbij is aangegeven dat die gegevens uiterlijk op 3 mei 2006 moeten zijn aangeleverd.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant het aankoopbewijs van die auto bij het College heeft ingeleverd.

Bij brief gedateerd 2 mei 2006 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 19 mei 2006 om 08.30 uur. Appellant is verzocht mee te brengen het betaalbewijs van de fa. [naam firma] waaruit blijkt op welke wijze het aankoopbedrag van de auto met het kenteken [kentekennr.] is voldaan. Verder is appellant verzocht mee te nemen de volgnummers “274 en 281 tot heden” van zijn bankrekening, een bewijs van de afkoopwaarde van zijn DSB-verzekeringen en de polis van de uitvaartverzekering.

Uit een ambtelijk rapport van 19 mei 2006 blijkt dat het de bedoeling was om aansluitend aan het gesprek op 19 mei 2006 een huisbezoek af te leggen omdat er twijfels waren over de feitelijke verblijfplaats van appellant. Uit dit rapport blijkt ook dat appellant niet op de afspraak is verschenen.

Bij besluit van 19 mei 2006 heeft het College met toepassing van artikel 4:5 van de Awb besloten de aanvraag van 28 december 2005 niet verder te behandelen omdat appellant zonder berichtgeving niet op de gemaakte afspraak op 19 mei 2006 is verschenen.

Appellant heeft tegen het besluit van 19 mei 2006 bezwaar gemaakt. Hij heeft daarbij onder meer aangevoerd dat hij eerst in de middag van 19 mei 2006 het besluit van 2 mei 2006 heeft ontvangen en daarom niet op de gemaakte afspraak kon verschijnen. Appellant heeft tevens de door het College gevraagde gegevens overgelegd.

Bij besluit van 17 juli 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 juli 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Niet in geschil is dat de door het College verlangde gegevens noodzakelijk zijn om de aanvraag van appellant inhoudelijk te kunnen beoordelen. Ook niet in geschil is dat appellant over deze gegevens beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken en dat die gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn overgelegd.

Appellant voert aan dat hij de brief van 2 mei 2006, waarbij hij voor 19 mei 2006 om 08.30 uur is uitgenodigd voor een gesprek, eerst in de middag van 19 mei 2006 onder ogen kreeg en daarom niet kon voldoen aan het verzoek van het College om de betreffende gegevens op het aangegeven tijdstip in te dienen. Appellant stelt zich derhalve op het standpunt dat het verzuim hem niet is te verwijten. Hij heeft hierbij nog aangevoerd dat hij in een flatgebouw woont, dat zijn post wordt bezorgd in een brievenbus onder in het flatgebouw en dat hij eens per dag om ongeveer 15.00 uur naar beneden gaat om zijn brievenbus te legen omdat op dat tijdstip de post doorgaans is bezorgd.

Uit de gedingstukken blijkt dat de brief waarbij appellant is uitgenodigd weliswaar op 2 mei 2006 is gedateerd, maar dat deze in verband met een vakantie van de betreffende klantmanager eerst later bij appellant is bezorgd. Het College heeft gesteld dat de brief op woensdag 17 mei 2006 om 15.45 uur door een fraudepreventiemedewerkster bij appellant in de brievenbus is gedeponeerd. Het College heeft daartoe verwezen naar een - handgeschreven - logboek van de betreffende ambtenaar. In dit logboek staat evenwel vermeld dat de brief op donderdag 18 mei 2006 is bezorgd met daarbij vermeld 07.30 uur. Deze medewerkster heeft ter toelichting hierop nog aangegeven dat de bezorging op woensdag 17 mei 2006 heeft plaats gevonden en dat de vermelding in het logboek van bezorging op donderdag verband hield met het feit dat voor de woensdag haar logboek reeds was afgesloten.

Het College heeft ter onderbouwing van de korte oproeptermijn aangevoerd dat er twijfel was ten aanzien van de woonsituatie van appellant. Door de brief kort voor de dag van de afspraak persoonlijk te bezorgen, kan - aldus het College - worden bekeken of op het betreffende adres iets is op te merken dat een aanwijzing zou kunnen zijn ten aanzien van de woonsituatie. De Raad overweegt hieromtrent dat, daargelaten dat uit de gedingstukken niet blijkt van twijfel over de woonsituatie van appellant en dat evenmin is gebleken dat hierover na het bezorgen van de brief is gerapporteerd, het College voor een onderzoek naar de woonsituatie andere middelen ter beschikking staan. Een en ander is dan ook geen rechtvaardiging voor een oproeping op zeer korte termijn.

In het midden latend of de op 2 mei 2006 gedateerde brief op 17 dan wel op 18 mei 2006 op enig moment in de brievenbus van appellant is gedeponeerd, het College heeft door appellant op zo korte termijn uit te nodigen het risico genomen dat appellant de uitnodiging te laat onder ogen zou krijgen. De Raad heeft hierbij in dit geval mede van belang geacht dat de brief niet aan appellant in persoon is afgegeven. Overigens blijkt uit de stukken dat appellant voorafgaande aan 19 mei 2006 verschillende keren met de Afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Nijmegen heeft gebeld met vragen over de stand zaken van zijn bijstandsaanvraag en dat hem toen niet is meegedeeld dat er nog meer informatie nodig was om inhoudelijk op de aanvraag te kunnen beslissen.

Gelet op het vorenstaande valt niet met zekerheid vast te stellen dat appellant tijdig van de inhoud van de op 2 mei 2006 gedateerde brief op de hoogte was dan wel kon zijn. Mede in aanmerking genomen de korte oproeptermijn, als gevolg van het moment waarop genoemde brief is bezorgd, kan appellant naar het oordeel van de Raad niet worden tegengeworpen dat hij de gegeven termijn ongebruikt heeft laten verstrijken.

Gegeven dit oordeel was het College niet bevoegd de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet te behandelen.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 17 juli 2006 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met de wet vernietigen. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het College dient daarbij het besluit van 19 mei 2006 te herroepen en - in bezwaar - alsnog een inhoudelijke beslissing te geven op de aanvraag van 28 december 2005.

Het verzoek van appellant om vergoeding van schade komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het College noodzakelijk is. Het College zal bij het nieuwe besluit op bezwaar tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand, begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 17 juli 2006;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Nijmegen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Nijmegen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Zijmers als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R. Zijmers.

AR280208