Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6886

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
07-950 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand omdat gevraagde gegevens niet zijn geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/950 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 januari 2007, 05/5248 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. Stronks, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Voor appellant is verschenen mr. M. Ketting, werkzaam bij advocatenkantoor Kloosterman en Stronks te Amsterdam. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt vanaf 5 april 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van die uitkering heeft het College appellant bij brief van 8 juli 2005 verzocht om uiterlijk op 18 juli 2005 afschriften van al zijn bankrekeningen over de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 juli 2005 in te leveren. Op verzoek van appellant is die termijn door het College verlengd tot en met 22 juli 2005. Toen op deze dag de gevraagde gegevens niet waren ingeleverd, heeft het College bij besluit van 22 juli 2005 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand met ingang van 22 juli 2005 opgeschort en appellant bij dat besluit een hersteltermijn gegeven welke afliep op 29 juli 2005.

Op 22 juli 2005 heeft appellant een aantal afschriften ingeleverd en op 28 juli 2005 heeft appellant gemeld dat hij van de overige afschriften bij zijn bank een kopie heeft opgevraagd. Daarop is namens het College de termijn waarbinnen de afschriften moeten zijn ingediend gesteld op uiterlijk 15 augustus 2005.

Appellant heeft tegen het besluit van 22 juli 2005 geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft het College met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand met ingang van 22 juli 2005 ingetrokken, daarbij overwegende dat appellant de gevraagde gegevens niet uiterlijk op 15 augustus 2005 heeft ingediend.

Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 30 augustus 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Aan de orde is of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat het door het College gehandhaafde besluit tot intrekking van de bijstand ingaande 22 juli 2005 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden. Hierbij staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet (meer) van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de belanghebbende niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 29 mei 2007, LJN BA6877).

De door het College aan appellant gevraagde bankafschriften kunnen naar het oordeel van de Raad worden beschouwd als gegevens die van belang zijn voor de verlening van de bijstand. Verder staat vast dat appellant de gevraagde bankafschriften, ondanks herhaalde verzoeken, slechts gedeeltelijk binnen de daarvoor gestelde termijn(en) heeft ingeleverd. Niet gebleken is dat appellant niet binnen de gestelde hersteltermijn(en) over de ontbrekende bankafschriften heeft kunnen beschikken. De enkele stelling van appellant dat hij niet alle afschriften in één keer heeft ingeleverd omdat hij de ontbrekende afschriften niet meer in zijn bezit had en deze opnieuw bij zijn bank moest opvragen is daarvoor onvoldoende. Evenmin is gebleken dat appellant onvoldoende in de gelegenheid is geweest de betreffende afschriften op te vragen. Ter zitting van de Raad heeft zijn gemachtigde desgevraagd meegedeeld dat appellant eerst na 15 augustus 2005 die afschriften heeft opgevraagd.

Uit het voorgaande volgt dat aan de in artikel 54, vierde lid, van de WWB gestelde toepassingsvoorwaarden is voldaan, zodat het College bevoegd was tot intrekking van de bijstand met ingang van 22 juli 2005. De Raad ziet in hetgeen door appellant is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Zijmers als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R. Zijmers.

AR040308