Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6870

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
05-6615 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Vastgestelde beperkingen. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6615 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 6 oktober 2005, 05/1261 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Th.H. van Roy, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft W. Dominicus, psychiater te Naaldwijk een nader advies aan de Raad uitgebracht, waarop het Uwv een reactie heeft gegeven.

Namens appellante zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Roy voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Schuijt.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 2 juli 1999 met zwangerschapsklachten uitgevallen voor haar functie als productiemedewerkster in een zilverfabriek. Na de bevalling heeft appellante diverse lichamelijke en psychische klachten gehouden en heeft zij haar werk niet hervat. Bij besluit van 8 juni 2000 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder de overweging dat zij vanaf 2 juli 1999 niet gedurende een periode van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 september 2000 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 mei 2002 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage dit besluit vernietigd onder overweging dat het Uwv geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Volgens de rechtbank had het Uwv informatie moeten opvragen bij de bedrijfsarts. Het Uwv heeft in die uitspraak berust en alsnog de bedoelde informatie opgevraagd. Dit heeft echter niet geleid tot een ander oordeel en bij een nieuw besluit van 10 oktober 2002 heeft het Uwv het bezwaar wederom ongegrond verklaard, waarna opnieuw een beroepsprocedure bij de rechtbank ’s-Gravenhage is gevoerd. De rechtbank heeft in die procedure de psychiater W. Dominicus als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Dominicus concludeert in zijn rapport van 9 maart 2004, aangevuld bij brief van 28 juli 2004, dat appellante vanaf de datum van uitval ongeschikt is geweest voor haar functie als productiemedewerkster en dat deze ongeschiktheid nog steeds voortduurt. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv zich niet langer op het standpunt stelt dat appellante niet de wachttijd van 52 weken heeft vol gemaakt, maar wel aanneemt dat appellante na afloop van de wachttijd op 29 juni 2000 niet meer ongeschikt was voor het verrichten van haar arbeid. De rechtbank heeft het advies van de psychiater Dominicus overgenomen en overwogen dat appellante, gezien haar medische beperkingen per de in geding zijnde datum 29 juni 2000, niet in staat kon worden geacht tot het verrichten van haar eigen werk. Het beroep van appellante is bij uitspraak van 7 oktober 2004 gegrond verklaard en het besluit van 10 oktober 2002 is vernietigd. Het Uwv heeft in die uitspraak berust. De bezwaarverzekeringsarts

P.L.M. Momberg heeft de belastbaarheid van appellante opnieuw vastgesteld, waarbij een aantal psychische beperkingen is toegevoegd. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen functies geselecteerd die appellante met inachtneming van de voor haar vastgestelde belastbaarheid zou kunnen verrichten. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit dat minder is dan 15% en daarom niet leidt tot toekenning van een WAO-uitkering.

Bij besluit van 20 januari 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 juni 2000, waarbij een WAO-uitkering werd geweigerd, opnieuw ongegrond verklaard, met dien verstande dat de weigering nu wordt gebaseerd op het feit dat de mate van arbeidsongeschiktheid aansluitend aan de wachttijd met ingang van 30 juni 2000 minder is dan 15%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellante en dat de aan appellante voorgehouden functies met die beperkingen in overeenstemming zijn.

De Raad heeft aanleiding gezien om de in een eerdere procedure door de rechtbank als deskundige benoemde psychiater Dominicus te vragen om aan te geven of hij zich kan verenigen met de belastbaarheid zoals die laatstelijk door de bezwaarverzekeringsarts Momberg is vastgesteld. Voorts is gevraagd of appellante in staat was om op de datum in geding de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de geselecteerde functies.

Bij brief van 15 oktober 2007 heeft Dominicus daarop als antwoord gegeven dat hij geen aanleiding ziet om zijn conclusies te herzien, daar ook met het aangepaste belastbaarheidsprofiel nog steeds sprake is geweest van fors aanwezige psychopathologie destijds, bevestigd door de behandelend psychiater J.S. Hengefeld. Deze psychopathologie leek ook tijdens de datum van de expertise nog voort te duren.

Desgevraagd heeft het Uwv een reactie op die brief gegeven. Naar de mening van het Uwv heeft Dominicus geen antwoord gegeven op de vraag of de belastbaarheid van appellante in het belastbaarheidsprofiel juist is weergegeven. Dat er sprake is van psychische problematiek is duidelijk en op dat punt zijn ook beperkingen vastgelegd. De vraag of appellante met de vastgestelde beperkingen in staat is de geduide functies te verrichten wordt door Dominicus niet beantwoord, aldus het Uwv.

De gemachtigde van appellante heeft per fax van 22 januari 2008 een brief van 20 januari 2008 ingezonden die hij heeft ontvangen van Dominicus. Deze brief bevat een reactie op een door de gemachtigde aan Dominicus gestelde vraag over diens eerder uitgebrachte advies. Ter zitting van de Raad is aan de orde gekomen dat ongewenst is dat een partij rechtstreeks met een door de rechter ingeschakelde deskundige correspondeert en voorts dat met de toezending van de brief op 22 januari 2008 niet is voldaan aan de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde eis dat nadere stukken tenminste tien dagen voor de zitting moeten zijn ingediend. De gemachtigde van het Uwv heeft, na de betreffende brief ter zitting te hebben gelezen, evenwel aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat dit stuk bij de behandeling van het geding wordt betrokken. Mede om deze reden heeft de Raad geen aanleiding gezien de brief buiten het geding te houden.

Uit de evengenoemde brief van Dominicus, gelezen in samenhang met zijn brief van

20 januari 2008 en zijn in een eerdere procedure in eerste aanleg uitgebrachte advies, leidt de Raad af, dat hij van mening is dat appellante niet geschikt is voor het verrichten van de haar door het Uwv voorgehouden functies. Anders dan in het in de eerdere procedure in eerste aanleg uitgebrachte advies, waar het handelde om de vraag of appellante geschikt was voor de door haar verrichtte maatmanarbeid, moet de Raad vaststellen dat de deskundige zijn mening over de geschiktheid van appellante voor de in het kader van de onderhavige theoretische schatting voorgehouden functies niet heeft onderbouwd. De enkele verwijzing naar bij appellante aanwezige psychopathologie maakt immers niet inzichtelijk waarom de door het Uwv naar aanleiding van het eerste advies van de deskundige vastgestelde (psychische) beperkingen en de op geleide daarvan voorgehouden functies niet adequaat zouden zijn. Om deze reden zal de Raad in het onderhavige geding aan het advies van de deskundige voorbij gaan.

De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de vaststelling van de beperkingen bij appellante door het Uwv en haar geschiktheid voor de geduide functies. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen, dat het Uwv de over appellante beschikbare informatie uit de behandelend sector in de beoordeling heeft betrokken. De namens appellante in hoger beroep ingebrachte stukken, waaruit kan blijken dat zij enkele jaren na de in geding zijnde datum de zenuwarts en huisarts heeft bezocht, kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Ook hetgeen overigens namens appellante naar voren is gebracht heeft de Raad niet kunnen doen twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank.

De aangevallen uitspraak, waarin het beroep van appellante ongegrond is verklaard, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Lochs.

CVG