Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
06-3031 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3031 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2006, 05/2951 (hierna: aangevallen uitspraak).

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2007. Appellant is in persoon verschenen, het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.E.C. Veugen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant werkte laatstelijk sedert 3 september 2001 in dienst van Stichting Amsterdam Thuiszorg. De Kantonrechter te Amsterdam heeft bij Beschikking van 23 september 2003 de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2003 ontbonden, waarna het Uwv bij besluit van 13 januari 2004 aan appellant met ingang van 3 november 2003 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft toegekend. Het dagloon is daarbij vastgesteld op € 64,47. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 27 mei 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 mei 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Dagloonregels IWS) wordt voor de toepassing van deze regels onder loon verstaan het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, met dien verstande dat hetgeen niet of niet geheel is uitbetaald eveneens tot het loon behoort.

In artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Dagloonregels IWS is bepaald dat in afwijking van het eerste lid wordt geacht tot het loon te behoren het rechtens geldende loon, voor zover dit niet is genoten.

Over de periode van 20 augustus 2003 tot 15 september 2003 heeft appellant geen salaris ontvangen van zijn werkgever omdat hij zich naar het oordeel van zijn werkgever heeft onttrokken aan zijn verplichting tot re-integratie. Appellant meent dat zijn werkgever ten onrechte geen salaris heeft betaald over deze periode en hij stelt zich op het standpunt dat het Uwv bij de berekening van het dagloon het salaris over deze periode alsnog moet meenemen.

De Raad kan appellant niet volgen in dat standpunt. Ter zitting is gebleken dat appellant geen loonvordering heeft ingesteld tegen zijn werkgever. Onder deze omstandigheden kan niet anders worden geconcludeerd dan dat hij over deze periode geen recht had op salaris, zodat dit terecht in zijn dagloon is verdisconteerd.

Ter zitting is voorts gebleken dat het Uwv alsnog van oordeel is dat het dagloon op een te laag bedrag is vastgesteld, nu daarbij ten onrechte geen rekening is gehouden met de vakantietoeslag. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, evenals onder gegrondverklaring van het beroep, het besluit van

27 mei 2004. Het Uwv dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant.

De Raad ziet tevens aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in beroep verleende rechtsbijstand. In hoger beroep is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 27 mei 2004;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2008

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

AR260208