Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6837

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
06-3953 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. is betrokkene met een voldoende mate van duurzaamheid in staat loonvormende arbeid te verrichten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3953 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 27 juni 2006, 05/2432 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. F. Westenberg, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadien nadere stukken ingebracht.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 15 februari 2008, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, laatstelijk werkzaam als medewerker bloembollen voor 38 uur per week, is op 9 juli 2003 voor dat werk uitgevallen wegens hoofd-, long-, hart-, en rugklachten en diabetes. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken is hem bij besluit van 19 juli 2004 met ingang van 7 juli 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij bestreden besluit van 2 september 2005 gegrond verklaard, in die zin dat de arbeidsongeschiktheidsklasse met ingang van 7 juli 2004 nader is vastgesteld op 55 tot 65%.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.

Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag. Daartoe heeft zij overwogen dat zij geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Voorts heeft zij geen aanleiding gezien om aan te nemen dat het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De in beroep overgelegde brief van de psychiater bevat geen omstandigheden die niet reeds zijn meegenomen door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts had immers reeds aangenomen dat er sprake was van een psychisch beeld en op de FML forse beperkingen aangegeven bij persoonlijk en sociaal functioneren. Ook de bezwaarverzekeringsarts heeft in de informatie van de psychiater geen aanleiding gezien om meer beperkingen aan te nemen. De, niet met medische stukken onderbouwde, stelling dat appellant oogproblemen heeft geeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde FML.

Ten aanzien van de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geselecteerde functies is de rechtbank van oordeel dat deze geschikt zijn voor appellant. Daartoe heeft zij - voor zover hier van belang - overwogen dat de stelling dat appellant de functie productiemedewerker industrie niet kan uitoefenen omdat het priegelwerk betreft en appellant slecht ziet, niet kan slagen omdat er in de FML geen beperking is opgenomen ten aanzien van zien. Met betrekking tot de functie coupeuse heeft zij overwogen dat in de functieomschrijving geen functiebelasting ten aanzien van stof voorkomt en dat er daarom vanuit mag worden gegaan dat de functie geen belasting kent op dit punt.

Hetgeen namens appellant in hoger beroep is betoogd omtrent de omvang van zijn beperkingen, vormt in essentie een herhaling van hetgeen bij de rechtbank naar voren is gebracht. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant, gelet op het brede scala aan klachten en met name de uit de diabetes ontstane visusklachten, op de datum in geding met een voldoende mate van duurzaamheid in staat is loonvormende arbeid te verrichten. Tevens is namens appellant betoogd dat de functie van productiemedewerker industrie wegens de visusklachten niet passend kan worden geacht. Omdat appellant last heeft van een stofallergie is de in beroep bijgeduide functie coupeuse evenzeer ongeschikt te achten.

De Raad overweegt als volgt.

Bij het vaststellen van de bij appellant op 7 juli 2004 aanwezige medische beperkingen hebben de verzekeringsartsen geen beperkingen aangenomen ten aanzien van het aspect zien.

Appellant heeft de Raad niet ervan kunnen overtuigen dat de verzekeringsartsen appellants medische beperking op 7 juli 2004 ten aanzien van dit punt hebben onderschat. De Raad tekent hierbij aan dat hij in de namens appellant in hoger beroep overgelegde informatie van zijn behandelend oogarts geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden voor twijfel aan de juistheid van de conclusies waartoe de verzekeringsartsen met betrekking tot dit aspect zijn gekomen. De oogarts heeft immers gesteld dat de gezichtsscherpte van appellant op 24 september 2004 beiderzijds 1.0 was en dat sinds ongeveer november 2005 – derhalve eerst op een tijdstip gelegen meer dan een jaar na de datum in geding – de gezichtsscherpte is gaan dalen naar een gezichtsscherpte van beiderzijds 0.6.

Nu appellant na de datum in geding nog ruim een jaar geen beperkingen had ten aanzien van zien, kan – anders dan hij meent – niet worden geoordeeld dat zijn gezondheidssituatie op de datum in geding vanwege zijn verslechterende gezichtsvermogen onvoldoende bestendig was om dit tot uitgangspunt te kunnen nemen bij de onderhavige schatting.

Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad ook voor het overige geen aanknopingspunten gevonden om de ten aanzien van appellant in aanmerking genomen medische beperkingen niet juist te achten. De Raad onderschrijft de conclusie en de overwegingen van de rechtbank zoals hiervoor weergegeven en maakt die overwegingen en dat oordeel tot de zijne.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat appellant met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen de geduide functies moet kunnen verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportages van 25 augustus 2005 en 24 april 2006 genoegzaam gemotiveerd om welke reden de geduide functies geschikt zijn te achten, gegeven de daaraan verbonden belasting en de functionele mogelijkheden van appellant. In dit verband merkt de Raad nog op dat ondanks het feit dat in de functie van productiemedewerker industrie met kleine componenten moet worden gewerkt, deze functie als geschikt voor appellant is aan te merken, nu appellant - naar uit het bovenstaande volgt: terecht - ten aanzien van het aspect zien niet beperkt is geacht. De functie van coupeuse is, ondanks appellants allergie voor stof, eveneens geschikt te achten omdat in de functieomschrijving geen functiebelasting ten aanzien van stof voorkomt en de Raad er dan ook vanuit gaat dat de functie geen belasting kent op dit punt.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) S. Sweep.

TM