Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6799

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
06-5715 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Correctienota's en boetenota's: niet betaald conform Horeca-CAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5715 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 24 augustus 2006, 05/1185 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft drs. R. van Stee, registeraccountant te Middelburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar dochter, [dochter appellante], en R. van Stee, voornoemd. Namens het Uwv is verschenen mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante exploiteert een café en op 4 november 2004 heeft een looncontrole plaatsgevonden over de jaren 1999 tot en met 2003. De looninspecteur heeft geconcludeerd dat appellante aan haar (voormalig) personeelslid [naam personeelslid] en aan haar dochter, [dochter appellante], minder salaris heeft betaald dan zij ingevolge de Horeca-CAO verplicht was. Ook na een reactie van de gemachtigde van appellante, heeft de looninspecteur dat standpunt gehandhaafd. Dit heeft geleid tot door het Uwv afgegeven correctienota’s van 10 juni 2005 over 2000 tot en met 2003 en boetenota’s van 14 juni 2005 over deze jaren. Het bezwaar tegen deze besluiten is bij besluit van 5 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van haar dochter heeft appellante zich primair op het standpunt gesteld dat de familierelatie aan een gezagsverhouding en daarmee aan een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de weg staat.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (onder meer CRvB 2 november 2006, LJN AZ1427) wordt in een arbeidsverhouding tussen de ouder als werkgever en het kind als werknemer een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij gebreke van een gezagsverhouding in de regel niet aannemelijk geacht. Een uitzondering daarop kan alleen worden aangenomen indien de omstandigheden duidelijk op een toch bestaand werkgeversgezag wijzen.

De Raad stelt vast dat reeds in de reactie op het looncontrolerapport namens appellante de stelling is ingenomen dat een gezagsverhouding tussen haar en haar dochter ontbreekt. De looninspecteur heeft daarop medegedeeld dat het loon van de dochter niet afwijkt van het loon dat werkneemster [naam personeelslid] heeft ontvangen en dat van een afwijking ten gevolge van ?familiale? omstandigheden geen sprake is.

De Raad acht dit een onvoldoende draagkrachtige motivering om een uitzondering op de hiervoor weergegeven hoofdregel aan te nemen. Dat appellante destijds haar dochter zelf heeft aangemeld als werknemer, maakt dat niet anders.

De Raad kan dan ook tot geen andere conclusie komen dan dat het besluit van 5 oktober 2005 ten aanzien van de correcties en boetes voor de dochter van appellante in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ten aanzien van [naam personeelslid] heeft appellante zich primair op het standpunt gesteld dat het Fooienbesluit van 22 december 1989, Stcrt. 1989, 252 en het Fooienbesluit 2002, Stcrt. 2001, 249 toepassing missen omdat [naam personeelslid] sedert 8 maart 2001 arbeidsongeschikt was.

De Raad volgt appellante niet in dat standpunt. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld CRvB 27 juli 2006, LJN AY5321) ziet artikel 3 van het Fooienbesluit van 22 december 1989 op elke werknemer in de zin van de Horeca-CAO. [naam personeelslid] is als zodanig aan te merken. Dat de overeengekomen werkzaamheden als gevolg van arbeidsongeschiktheid niet worden verricht, maakt dat niet anders. Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van artikel 3 van het Fooienbesluit 2002.

Appellante heeft voorts betoogd dat [naam personeelslid] op enig moment een andere, administratieve, functie is gaan vervullen. Met het Uwv en de rechtbank constateert de Raad dat ieder bewijs ten aanzien van die stelling ontbreekt.

Tot slot heeft appellante de door de looninspecteur aan de correcties ten grondslag gelegde berekeningen bestreden. Volgens appellante heeft de looninspecteur ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat [naam personeelslid] gedurende drie dagen en vijf uren per dag werkzaam was.

Ten aanzien van deze grief moet de Raad constateren dat iedere (inzichtelijke) onderbouwing van de opgelegde premiecorrecties ontbreekt. Naar ter zitting is gebleken kan deze onderbouwing ook niet meer worden gegeven. Ook ten aanzien van dit punt moet de Raad dan ook constateren dat het besluit van 5 oktober 2005 in strijd met het bepaalde in artikel 7:12 Awb tot stand is gekomen.

Gelet op het voorgaande is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het besluit van 5 oktober 2005 in rechte geen stand kan houden. De aangevallen uitspraak wordt om die reden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2005 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het Uwv zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante. Daarbij zal tevens aandacht moeten worden besteed aan de door appellante gevorderde schadevergoeding.

De Raad ziet tevens aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Voor toewijzing van de door appellante gevorderde kosten van in totaal € 4.350,-- acht de Raad geen termen aanwezig. In artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is bepaald dat in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid van het Bpb. De toelichting bij het Bpb vermeldt echter dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding kan verhogen of verlagen. Benadrukt wordt dat het werkelijk gaat om uitzonderingen, waarbij als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden van het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hier bedoeld.

De door appellante in hoger beroep gemaakte reiskosten komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bpb biedt echter uitsluitend de mogelijkheid van vergoeding van de reiskosten van een partij. Dat betekent dat alleen de door appellante gemaakte reiskosten, en niet die van haar dochter en haar gemachtigde, voor vergoeding in aanmerking komen. Het betreft hier een bedrag van € 36,50.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 5 oktober 2005;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.324,50, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net n G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2008

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

Ar260208