Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
07-3155 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang. WAO-uitkering in plaats van WAZ-uitkering. Datum ziekmelding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/3155 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 april 2007, 06/3389 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant is in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007 waar appellant in persoon is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof.

II. OVERWEGINGEN

Het Uwv heeft appellant bij besluit van 19 februari 2002 ingaande 29 maart 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Dit besluit is bij besluit op bezwaar van 25 juli 2002 gehandhaafd.

Het Uwv is voor zijn besluitvorming uitgegaan van de navolgende feiten en overwegingen. Appellant, die voorheen werkzaam was als directeur-grootaandeelhouder van verpakkingsbedrijf [de besloten vennootschap], heeft in 2000 zijn bedrijf verkocht en is in dienst getreden bij de koper van zijn bedrijf. Hoewel er bij het Uwv onduidelijkheid bestond over de datum waarop appellant in dienst is getreden bij de koper van zijn bedrijf (in de stukken worden zowel de datum 1 april 2000 als 15 mei 2000 genoemd) heeft het Uwv als vaststaand aangenomen dat er op 30 maart 2000 in ieder geval nog geen dienstverband bestond. Verder heeft het Uwv aangenomen dat appellant zich op

13 april 2000 ziek heeft gemeld voor zijn werkzaamheden en dat appellant de ziekmelding op eigen verzoek heeft laten ingaan op 30 maart 2000. Appellant was bij zijn uitval, zo stelt het Uwv, niet verzekerd voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), maar voor de WAZ. Appellant is door het Uwv op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht.

Appellant is van het besluit op bezwaar van 25 juli 2002 in beroep gekomen. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft het beroep van appellant bij uitspraak van 10 december 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onvoldoende aanleiding gezien om de datum 30 maart 2000 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor onjuist te houden. Appellant is niet in hoger beroep gekomen van deze uitspraak.

Het Uwv heeft appellant, na raadpleging van psychiater J.D.J. Tilanus, bij besluit van 15 maart 2006 medegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd vastgesteld dient te worden naar de klasse 80 tot 100%. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit op bezwaar van 6 juli 2006, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de grieven van appellant gericht zijn tegen de wijze waarop hij behandeld is door de medewerkers van het Uwv en tegen de vaststelling van de eerste ziektedag. De rechtbank heeft verder overwogen dat haar niet gebleken is dat appellant zich niet heeft kunnen vinden in de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 80 tot 100%. Nu het door appellant nagestreefde resultaat, naar het oordeel van de rechtbank, met het maken van bezwaar of het indienen van beroep niet daadwerkelijk bereikt kon worden ontbrak het appellant aan een concreet procesbelang en heeft het Uwv het bezwaar van appellant naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarop het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en onder toepassing van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank heeft tot slot een griffierechtvergoeding uitgesproken en afgezien van een proceskostenveroordeling.

Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellant heeft vooreerst gesteld hij wel degelijk een procesbelang had. Verder heeft appellant - kort gezegd - gesteld dat hij niet ziek was op 30 maart 2000 en dat hem een uitkering ingevolge de WAO toegekend had moeten worden. Ter zitting heeft appellant gesteld dat de overdracht van de aandelen van zijn bedrijf eerst op 15 mei 2000 heeft plaatsgevonden en dat hij daarna nog vier weken in dienstbetrekking werkzaam geweest is.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is vooreerst van oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant geen procesbelang had. Appellant wilde blijkens de door hem - onder meer in hoger beroep - overgelegde stukken bereiken dat hem een uitkering ingevolge de WAO zou worden toegekend in plaats van een uitkering ingevolge de WAZ. Appellant kon naar het oordeel van de Raad derhalve geen procesbelang ontzegd worden.

De Raad overweegt voorts dat nu niet gebleken is dat appellant in hoger beroep gekomen is van de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 december 2003 in de zaak 02/2285, in rechte vast is komen te staan dat appellant zich ingaande 30 maart 2000 ziek heeft gemeld en dat appellant toen nog werkzaam was als directeur grootaandeelhouder van verpakkingsbedrijf [de besloten vennootschap]. Uit de omvangrijke hoeveelheid stukken is het de Raad niet gebleken dat het Uwv die datum thans niet meer zou kunnen hanteren. Het Uwv heeft zijn bestreden besluit derhalve terecht gegrond op de WAZ. De Raad merkt tot slot op dat hem niet gebleken is dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant onjuist heeft vastgesteld.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep van appellant ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M. Lochs.

JL