Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6784

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
07-3787 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/3787 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:

[verzoeker] (hierna: verzoeker),

om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 april 2007, 04/2630 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening van de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2008. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door T. Cetinkaya als tolk en door mr. De Jonge voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak heeft de Raad - oordelend op het hoger beroep van verzoeker - de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2004, 03/657, bevestigd.

In het geding dat tot die uitspraak heeft geleid ging het om de weigering van het Uwv om aan verzoeker met ingang van 1 november 2002 een uitkering toe te kennen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) omdat hij op die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Namens verzoeker heeft mr. De Jonge voornoemd in beroep aangevoerd dat de aan het Uwv verbonden verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts onvoldoende zorgvuldig onderzoek hebben verricht waardoor onvoldoende inzicht in de medische beperkingen van verzoeker is verkregen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft mr. De Jonge een rapport van het Instituut Psychosofia overgelegd.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen reden geeft de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv in twijfel te trekken. Aan het rapport van het Instituut Psychosofia heeft de rechtbank niet de waarde toegekend die appellant daaraan gehecht had willen zien. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 28 december 2001, LJN AD9645, USZ 2002, 68, waaruit volgt dat ten aanzien van de voor de toepassing van de WAO relevante arbeidsbeperkingen geldt dat die op de in de reguliere geneeskunde gebruikelijke wijze dienen te worden vastgesteld en dat de rapporten van dit instituut hieraan niet voldoen. De Raad heeft zich in de aangevallen uitspraak achter de overwegingen van de rechtbank gesteld.

De gemachtigde van verzoeker acht herziening van de aangevallen uitspraak aangewezen omdat de uitspraak onvoldoende is gemotiveerd, onvoldoende rekening houdt met het wettelijk kader en in strijd is met de jurisprudentie van de Raad. Zij heeft een groot aantal argumenten aangevoerd omtrent de door de Raad gevormde jurisprudentie ter zake van de waarde van de rapporten uitgebracht door het Instituut Psychosofia, de waarde die naar haar mening aan deze rapporten behoort te worden toegekend en de wijze waarop naar haar mening door het Uwv en de Raad met deze rapporten dient te worden omgegaan.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad, zoals deze blijkt uit onder andere zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (LJN AN7982) kan in het kader van het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening slechts worden beoordeeld of op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb juncto artikel 21 van de Beroepswet, herziening aangewezen is. Een door de gemachtigde van verzoeker gewenste hernieuwde discussie over de betrokken zaak en de juistheid van de betrokken uitspraak kan in dit kader niet worden gevoerd.

Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu door de gemachtigde van verzoeker geen feit of omstandigheid als bovenomschreven naar voren is gebracht. De door de gemachtigde genoemde feiten heeft zij al in de eerdere procedure in geding gebracht en kunnen reeds daarom geen nieuwe feiten zijn als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Een klacht over de motivering van de aangevallen uitspraak kan evenmin een grond zijn voor herziening van de aangevallen uitspraak.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Lochs.

CVG