Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6708

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
14-03-2008
Zaaknummer
07-1946 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering geweigerd. Verwijtbare werkloosheid? Ontslag na ruzie met collega en het toebrengen van letsel aan die collega.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1946 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2007, 06/1521 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 maart 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft stukken ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23 januari 2008. Partijen zijn, na voorafgaand schriftelijk bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. De Raad verwijst voor een meer uitgebreide weergave van de feiten naar hetgeen daarover in de aangevallen uitspraak is vermeld, en volstaat hier met het volgende.

Appellant was op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 4 april 2005 tot 4 mei 2006 gedurende 40 uur per week in dienst als productiemedewerker bij [naam werkgever]. (hierna: werkgever) te Amsterdam. Appellant is op 17 oktober 2005 op zijn werk betrokken geweest bij een handgemeen met een collega, die daarbij letsel heeft opgelopen. De werkgever heeft appellant in verband met dit handgemeen en het openlijk beledigen en op ernstige wijze bedreigen van de werkgever en diens familieleden op staande voet ontslagen. De werkgever heeft bij de kantonrechter een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. De kantonrechter heeft in zijn beschikking van 29 november 2005 geoordeeld dat er sprake is geweest van ernstige mishandeling van een collega door appellant en mitsdien van een dringende reden voor ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van de datum van de beschikking, voor zover mocht komen vast te staan dat deze nog bestaat.

2.2. Appellant heeft op 1 november 2005 een uitkering ingevolge de WW aangevraagd.

Bij besluit van 30 november 2005 heeft het Uwv de uitkering aan appellant met ingang van 17 oktober 2005 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij had kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden. Na tegen het besluit van 30 november 2005 gemaakt bezwaar heeft het Uwv de maatregel bij besluit van 4 april 2006 (het bestreden besluit) gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat uit de beschikking van de kantonrechter van 29 november 2005 blijkt dat er sprake was van een dringende reden voor ontslag op staande voet, en dat appellant ook in de onderhavige procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem van de ruzie met zijn collega en het toebrengen van letsel aan die collega geen verwijt te maken was. De rechtbank is voorts van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest, dat de hem verweten gedraging de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben, en dat het Uwv in verband daarmee was gehouden de gevraagde WW-uitkering blijvend en geheel te weigeren. De rechtbank is niet gebleken van een dringende reden om af te zien van het opleggen van de maatregel.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van de ruzie en stelt dat de enige persoon die daarvan getuige was, [naam getuige], geen verklaring heeft afgelegd. Appellant stelt dat hij niet heeft kunnen voorzien dat het incident tot zijn ontslag zou leiden. Appellant voert aan dat er op zijn minst sprake is van verminderde verwijtbaarheid nu hij door de strafrechter is veroordeeld tot een lagere geldboete dan het hem eerder door het Openbaar Ministerie aangeboden transactievoorstel. Appellant leidt hieruit af dat de strafrechter aanleiding heeft gezien de op te leggen boete te matigen. Appellant beroept zich tevens op de aanwezigheid van een dringende reden om af te zien van het opleggen van de maatregel, te weten de onaanvaardbaarheid van de zeer nadelige gevolgen van het weigeren van een WW-uitkering voor de kansen op een verblijfsvergunning voor zijn, uit Afghanistan afkomstige, echtgenote en kinderen.

5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en of het Uwv in verband hiermee de uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd.

5.2. Die vragen beantwoordt de Raad bevestigend. Daartoe overweegt hij het volgende.

5.3. De Raad is van oordeel dat de in het dossier aanwezige gegevens voldoende grondslag bieden voor de vaststelling dat appellant zich tijdens werktijd en op de werkplek schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en bedreiging van een collega. De Raad verwijst in dit verband naar de stukken die in de procedure bij de kantonrechter zijn gewisseld, en waaruit de door de kantonrechter vastgestelde feiten naar voren komen, zoals het verzoekschrift en het aanvullend verzoekschrift met de bijbehorende producties, het verweerschrift met bijbehorende producties in de ontbindingsprocedure en drie notities van het Uwv naar aanleiding van telefonisch ingewonnen informatie naar de toedracht van het incident op 17 oktober 2005. Niet is gebleken dat het onderzoek door het Uwv niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden of dat niet zou mogen worden uitgegaan van de stukken uit de ontbindingsprocedure. In het licht van deze gegevens kan de enkele stelling van appellant dat hem van de schermutseling geen verwijt kan worden gemaakt en zijn grief dat de enige getuige die dit zou kunnen bevestigen geen verklaring heeft afgelegd, niet leiden tot een ander oordeel over de feiten.

5.4. De Raad is, anders dan door appellant in hoger beroep is aangevoerd, niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het niet nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

5.5. De Raad ziet ten slotte in hetgeen door appellant is aangevoerd geen redenen voor het aannemen van dringende redenen, als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW, op grond waarvan aan het Uwv de bevoegdheid toekomt van het opleggen van een maatregel af te zien. De Raad merkt op dat door appellant in hoger beroep een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage in het geding is gebracht, waarin -voor zover van belang- is overwogen dat het tijdelijk gebrek aan middelen niet doorslaggevend heeft mogen zijn bij de beslissing op een door de echtgenote en de kinderen van appellant ingediende aanvraag van een verblijfsvergunning. Gelet op deze uitspraak doen de door appellant gestelde nadelige gevolgen van de maatregel zich niet voor, en kunnen deze reeds daarom niet worden aangemerkt als dringende redenen als hiervoor bedoeld.

5.6. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW