Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6700

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
14-03-2008
Zaaknummer
07-2036 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning WW-uitkering. Niet voldaan aan wekeneis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2036 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 maart 2007, 06/4751 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 maart 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.E. Temmen, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2008. Namens appellante is verschenen mr. Temmen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2005, LJN AS7870 en de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 26 januari 2005 heeft het Uwv op 18 mei 2006 een besluit genomen over de aanspraak van appellante op een WW-uitkering vanaf 3 december 2001. Dat besluit houdt in dat appellante per genoemde datum geen WW-uitkering kan krijgen omdat zij niet heeft voldaan aan de zogenoemde wekeneis. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 mei 2006 is bij het bestreden besluit van 5 september 2006 ongegrond verklaard. Het Uwv is van mening dat appellante niet voldoet aan de wekeneis en dat het per 26 april 1999 geƫindigde recht op WW-uitkering van appellante vanaf 3 december 2001 niet kan herleven. Volgens het Uwv is appellante nimmer een toezegging gedaan op grond waarvan zij erop kon vertrouwen dat haar met ingang van die datum een WW-uitkering zou worden toegekend.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1. Gelet op het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat appellante niet bestrijdt dat zij op grond van de toepasselijke bepalingen van de WW met ingang van 3 december 2001 geen recht heeft op een WW-uitkering dan wel op herleving van een haar eerder toegekend recht op WW-uitkering. Dit brengt mee dat in hoger beroep uitsluitend de vraag voorligt of het Uwv in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel door appellante per 3 december 2001 een recht op WW-uitkering te ontzeggen. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en hij overweegt daartoe het volgende.

4.2. Zoals appellante terecht heeft betoogd en het Uwv ook heeft erkend, heeft het Uwv na de uitspraak van de Raad van 26 januari 2005 lang getalmd met het nemen van een beslissing over de aanspraken van appellante op WW-uitkering vanaf 3 december 2001. Enkel aan dit tijdsverloop kon appellante echter niet een gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat die beslissing positief voor haar zou uitvallen. De Raad heeft in bedoelde uitspraak onder meer overwogen dat hij erop vertrouwt dat door het Uwv op de kortst mogelijke termijn uitvoering wordt gegeven aan de in het beroepschrift gedane toezegging dat een nieuw besluit wordt gegeven, waarbij de beschikbaarheid en de overige voorwaarden voor het recht op WW-uitkering van appellante vanaf december 2001 worden beoordeeld. Naar het oordeel van de Raad kon appellante aan deze overweging van de Raad evenmin een in rechte te honoreren verwachting ontlenen dat haar met ingang van 3 december 2001 een WW-uitkering zou worden toegekend. Uit de grondslag waarop aan appellante een WW-uitkering is ontzegd leidt de Raad af dat het Uwv ervan is uitgegaan dat appellante vanaf 3 december 2001 weer beschikbaar is voor arbeid en werkloos is, maar tot de conclusie is gekomen dat zij niet aan een van de overige voorwaarden voor het recht op uitkering voldoet.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW