Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6695

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
14-03-2008
Zaaknummer
06-5993 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toepassing bijzondere middel van herziening. Geen feiten of omstandigheden als bedoeld in de wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5993 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Verzoeker] (hierna: verzoekster),

van de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 7 september 2006, 05/7331 WWB,

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 september 2006.

Op verzoek van en namens verzoekster is de behandeling van de zaak enige malen uitgesteld.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op 26 februari 2008. Voor verzoekster is niemand verschenen. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij eerder bij de Raad bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

De Raad heeft bij uitspraak van 21 maart 2006 het door verzoekster tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 november 2005 ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige voldoening van het griffierecht. Daarbij is overwogen dat het hoger beroep evenzeer wegens niet tijdige indiening van de gronden niet-ontvankelijk zou kunnen worden verklaard.

Het daartegen aangetekende verzet is bij uitspraak van de Raad van 7 september 2006 ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer het volgende overwogen (waarbij voor appellante verzoekster moet worden gelezen):

“ (…) Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad eerst vast dat, anders dan appellante heeft gesteld, niet als vaststaand kan worden aangenomen dat op 18 februari 2006 een spoedopdracht is gegeven tot overmaking van het verschuldigde griffierecht van € 103,-- aan de Raad. Wel is komen vast te staan dat [naam zuster] op 20 februari 2006 op het postkantoor per fax om 16.09 uur een expresgiro-opdracht tot betaling van genoemd bedrag ten laste van haar girorekening aan de Raad heeft laten verzenden. Verder blijkt uit de gedingstukken dat de voor betaling van het griffierecht gestelde termijn in het geval van appellante eindigde op 20 februari 2006 en dat het verschuldigde bedrag op 21 februari 2006 op de rekening van de Raad is bijgeschreven (...) ”

en

“ (…) De Raad tekent nog aan dat appellante in de op 2 januari 2006 aan haar verzonden nota er reeds op is gewezen dat bij betaling per bank de datum van bijschrijving op de bankrekening van de Raad beslissend is en dat volgens vaste rechtspraak het risico van niet-tijdige verwerking van een eerst op de laatste dag van de termijn gegeven betalingsopdracht voor haar rekening komt. Op grond van de gedingstukken acht de Raad het onvoldoende aannemelijk dat appellante niet eerder in staat was om een opdracht te geven tot overmaking van het griffierecht aan de Raad.Voor zover appellante zelf tijdelijk over onvoldoende middelen beschikte had zij ter voldoening van de griffierechtnota ook bijzondere bijstand kunnen aanvragen en de Raad binnen de gestelde termijn om uitstel van betaling kunnen vragen voor de duur van de behandeling van die aanvraag. (…) ”.

Verzoekster heeft als grond voor het herzieningsverzoek aangevoerd dat zij binnenkort van de Postbank een schrijven verwacht waarin staat aangegeven dat haar zuster ([naam zuster]) destijds, op zaterdag 18 februari 2006, een spoedopdracht aan de Postbank heeft gegeven om het door haar verschuldigde griffierecht van € 103,-- aan de Raad te voldoen. Zij doet verder een beroep op onmacht en verzoekt de Raad alsnog een uitzondering te maken op de geldende regels.

De Raad stelt vast dat hetgeen door verzoekster is aangevoerd geen feiten of omstandigheden bevat als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

Allereerst is van een bewijsstuk dat de zuster van verzoekster de Postbank destijds een spoedopdracht in bovenvermelde zin heeft gegeven (daargelaten welke betekenis daaraan in dit verband kan worden toegekend) ook thans nog geen sprake.

Voorts kan er niet aan worden voorbijgezien dat het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 november 2005 ook op andere, dan de in de verzetuitspraak expliciet gebezigde, gronden niet-ontvankelijk had kunnen worden verklaard. Immers ook de gronden van het hoger beroep zijn destijds ondanks een gegeven hersteltermijn - met niet-ontvankelijkdreiging - niet tijdig ingediend.

Dit betekent dat, zelfs indien verzoekster niet (langer) zou kunnen worden tegengeworpen dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan, het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep toch ongegrond zou dienen te worden verklaard nu tevens moet worden vastgesteld dat verzoekster de gronden van het hoger beroep niet tijdig heeft ingediend. Daarmee is gegeven dat, ook al zou bij de Postbank zijn geregistreerd dat destijds door de zuster van verzoekster een spoedopdracht tot betaling is gegeven maar niet (correct) is uitgevoerd, dit enkele feit niet tot inwilliging van het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 september 2006 kan leiden. Dit laat immers onverlet dat de gronden van het hoger beroep destijds niet tijdig zijn ingediend, zodat een en ander per saldo niet tot een andersluidende uitspraak van de Raad zou hebben kunnen leiden.

Voor zover verzoekster met haar verzoek om herziening tevens beoogt de juistheid van de uitspraken van de Raad van 21 maart 2006 en 7 september 2006 alsmede de uitspraak van de rechtbank van 14 november 2005 wederom ter discussie te stellen, merkt de Raad nog op dat het - bijzondere - rechtsmiddel van herziening daarvoor niet is bedoeld.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2008.