Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
14-03-2008
Zaaknummer
08-109 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Geen sprake van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 111

Uitspraak

08/109 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

VOORZIENINGENRECHTER

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om een voorlopige voorziening van:

[Verzoeker] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 5 december 2007, 07/1587 (hierna: de aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2008. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door drs. E.H. [V.]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.D. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Verzoeker ontving sedert 1 januari 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 17 maart 2006 is aan verzoeker met ingang van 1 mei 2006 voor de duur van zes maanden algemene bijstand ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) toegekend. Een verzoek om bedrijfskapitaal is bij datzelfde besluit afgewezen.

Bij besluit van 28 april 2006 heeft het College - voor zover hier van belang - de bijstand van verzoeker met ingang van 1 april 2006 beëindigd (lees: ingetrokken), de bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2006 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.651,14 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 31 mei 2006 is het besluit van 17 maart 2006 tot toekenning van de algemene bijstand ingevolge het Bbz 2004 herroepen en de aanvraag ook in zoverre alsnog afgewezen. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat verzoeker een gezamenlijke huishouding voerde met G.M. [V.] zonder daarvan melding te maken aan het College. Bij besluit van 26 januari 2007 heeft het College het tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard met dien verstande dat de invordering bij verzoeker vooralsnog op nihil is gesteld. Bij uitspraak van 11 juni 2007 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 26 januari 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard wat betreft de ingangsdatum van de beëindiging van de bijstand, deze datum op 28 april 2006 gesteld en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Bij uitspraak van

11 september 2007 heeft de voorzieningenrechter van de Raad de uitspraak van de rechtbank van 11 juni 2007 bevestigd, voor zover aangevochten, en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding alsmede het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding cassatieberoep ingesteld.

Op 29 januari 2007 heeft verzoeker een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend.

Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het College deze aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen op de grond dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Bij besluit van 6 juni 2007 zijn de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard wat betreft de algemene bijstand, het besluit van 6 juni 2007 vernietigd, de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten, en het beroep wat betreft het bedrijfskapitaal ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het beroep ongegrond is verklaard en voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 juni 2007 in stand zijn gelaten. Daarbij is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 2 december 2003, LJN AO0764, de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

De voorzieningenrechter acht in hetgeen door en namens verzoeker is aangevoerd geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening vordert. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat verzoeker inmiddels is verhuisd naar Wergea, dat aan verzoeker door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Boarnsterhim met ingang van 27 september 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande is toegekend, dat hij sedert 17 januari 2008 in het kader van een re-integratietraject gedurende 16 uur per week een stage bij een taxibedrijf in Leeuwarden volgt en dat het eerder door hem in mei 2006 voor een jaar gehuurde winkelpand sedert juli 2007 door een ander wordt geëxploiteerd. Hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht ten aanzien van zijn schuldenlast en het op zijn bijstandsuitkering gelegde beslag heeft de voorzieningenrechter niet tot een andersluidend oordeel gebracht. In dit verband wordt opgemerkt dat verzoeker, gelet op hetgeen artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omtrent de beslagvrije voet bepaalt, in beginsel 90% van de toepasselijke bijstandsnorm ter beschikking staat.

Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. Daarbij neemt de voorzieningenrechter mede in aanmerking dat het geschil ziet op afwijzing van bijstand over een in het verleden liggend, afgesloten tijdvak.

Gelet op het voorgaande dient het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) P.C. de Wit.

RB